Belgisch buitenlands beleid niet zo vernieuwend

Het buitenlands beleid van België is niet zo vernieuwend als wel eens gedacht wordt, tenzij dan het fenomeen van de Franstalige liberaal Louis Michel, oftewel 'Big-Loulou'. De flamboyante minister van Buitenlandse Zaken durft zijn nek uit te steken en controverse uit te lokken. De trendbreuk zit hem in de stijl. Maar of hij ook geschiedenis schrijft, moet de geschiedenis nog uitwijzen. Dat was de rode draad op het congres over de buitenlandse politiek in België dat vorige week in Gent plaatsvond.

Louis Michel zegt graag dat hij België weer een internationale stem heeft gegeven, of anders gezegd: dat er opnieuw naar België geluisterd wordt op het internationale toneel. Het ethische discours is zijn handelsmerk. 'Bescheidenheid siert' is zeker zijn politieke motto niet. Ver weg van de stille diplomatie van zijn voorganger Erik Derycke kiest Louis Michel voor de diplomatieke megafoon en controverse, liefst met zoveel mogelijk camera's in de buurt. 'Hij creëert de gebeurtenissen zelf, voor het oog van de camera', merkte de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Jan de Bock, op.

Dat geeft meteen ook de indruk dat België een nieuwe buitenlandse koers vaart. Qua stijl ongetwijfeld, qua inhoud echter nauwelijks, bleek op het congres in Gent. Het Europese beleid, de Afrikaanse koers, zelfs het ethische discours van Louis Michel zijn inhoudelijk meer een voortzetting van het buitenlandse beleid van België dan een trendbreuk. 'Op de lange termijn beoordeeld staat het buitenlandse beleid tussen 1999 en 2002 onmiskenbaar in het teken van de continuïteit', zette Rik Coolsaet, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit Gent, de toon.

Coolsaet ziet vier momenten in het paars-groene buitenlands beleid. In 1999 stond de diplomatie in het teken van de zakelijke belangen, met het oog op het herstel van het imago van België na de dioxinecrisis en de zaak-Dutroux. 2000 was, zoals Le Monde berichtte, het jaar van het 'réveil diplomatique de la Belgique', met de zaak-Pinochet en Haider, de onderzoekscommissie-Lumumba en het diplomatieke voluntarisme in Centraal-Afrika. 2001 was het jaar van het Europese voorzitterschap.

Wat het Europese beleid betreft, zijn de academici het erover eens dat de continuïteit primeert, ook al zijn er tegenstrijdige evaluaties, van positief tot negatief. Het Belgische pleidooi voor een sterk Europa past in een lange traditie, die uitgestippeld is door Paul-Henri Spaak. Hij realiseerde zich dat het supranationalisme - met afstand van een deel van de nationale soevereiniteit - een betere bescherming biedt aan de kleine lidstaten dan het klassieke machtsevenwicht, waar alleen de grote aan zet zijn. En het past meteen ook in de allereerste Belgische doelstelling: het creëren van een stabiele Europese economie.

De Belgische vertegenwoordiger bij de Europese Unie, topdiplomaat Frans van Daele, wond er geen doekjes om: 'De Belgische steun aan de Europese constructie is ingegeven vanuit eigenbelang.' Van Daele zag wel een innovatie. De 'Conventie' die het Belgische EU-voorzitterschap in gang zette, houdt volgens Frans van Daele de belofte in dat de aan bloedarmoede lijdende intergouvernementele diplomatieke onderhandelingsmethode baan ruimt voor een parlementaire methode. Dat kan de Europese Unie democratische zuurstof bezorgen. 'De inzet is te evolueren van een interstatelijk naar een federaal Europa.'

Franklin Dehousse, hoogleraar aan de Luikse universiteit, kwam met een originele invalshoek. Hij sprak van de 'Freudiaanse paradox', waarbij België intern desintegreert, terwijl op het Europese toneel voor steeds meer integratie wordt gepleit. Zijn provocatieve stelling kwam erop neer dat België de stutten van een sterk Europa nodig heeft om zelf overeind te blijven.

Het Europese discours mag dan al in de lijn van de Belgische traditie liggen, het Afrikabeleid van Louis Michel lijkt nieuw. Dat vindt ook Christian Franck, hoogleraar aan de Université Catholique de Louvain (UCL). Hij sprak van 'le changement' en 'la discontinuité'. 'België wacht niet langer tot Centraal-Afrika zijn problemen regelt om zijn medewerking te verlenen en samen te werken. Dat is de discontinuïteit die op het conto van de huidige buitenlandse politiek kan worden geschreven.'

Ook Jan de Bock vindt dat het verschil gemaakt wordt in Centraal-Afrika. 'Maar ook hier is het verhaal genuanceerd.' Hij zei dat het 'African ownership', waarbij de Afrikanen in de eerste plaats zelf voor hun lot verantwoordelijk zijn, de rode draad vormde in het buitenlands beleid van Willy Claes, Frank Vandenbroucke en Erik Derycke. Maar het was geen 'out of Africa'. Integendeel: Frank Vandenbroucke stippelde een Afrikabeleid uit gestoeld op een moreel engagement 'dat in grote lijnen overeenkomt met de morele en politieke gedrevenheid van Louis Michel'.

Ook Coolsaet zei dat Louis Michel zich zonder het zelf te weten inschreef in het Afrikabeleid dat Vandenbroucke eerder had uitgestippeld. En toch. In tegenstelling tot zijn socialistische voorgangers is Louis Michel al vaak naar Kongo afgereisd. 'Het belangrijkste verschil met zijn drie socialistische voorgangers is het persoonlijke, het fysische engagement van de huidige minister in dit dossier', merkte De Bock op. 'Afrikaanse terreindiplomatie is een notie die door Reginald Moreels onder premier Dehaene is uitgedacht, maar die Louis Michel onvermoeibaar en zeer zichtbaar beoefent.'

Zijn engagement in Centraal-Afrika schrijft Louis Michel graag toe aan een moreel en ethisch gevoel, dat zich uit in een strijd voor mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en goed bestuur. 'Ook hier slaagt Louis Michel erin nieuwe veerkracht en nieuwe relevantie te geven aan begrippen die twintig jaar oud zijn', merkte Jan de Bock op. Hij wees er evenwel ook op dat Mark Eyskens (CD&V) met het Moboetoe-regime brak, wegens de mensenrechtenschending in Lubumbashi. En Derycke nam dan weer het voortouw in de strijd tegen de antipersoonsmijnen en de strijd voor een internationaal hof. De ethische dimensie van Louis Michel is dus andermaal weinig vernieuwend.

Toch is er een wereld van verschil. Louis Michel etaleert zijn ethisch discours niet alleen bij Kongo, maar ook in de zaak-Pinochet en bij Haider en Berlusconi. 'Daarbij is de wereldpers betrokken: The New York Times, Le Monde of Financial Times pikken die verhalen op, en ook de naam van Louis Michel en België', zei De Bock. Volgens De Bock is de controverse een instrument van Louis Michels buitenlandpolitiek. 'Boude uitspraken vestigen de aandacht op een beleid dat ten gronde een grote continuïteit vertoont, maar dat als gedurfd wordt ervaren en in de pers beduidend meer aandacht en vaak ook krediet krijgt. Het Belgische buitenlands beleid wordt zowel in binnen- als buitenland als meer innoverend gezien en het soortelijke gewicht ervan als zwaarder.'

Af en toe wordt het ballonnetje doorgeprikt, door Le Monde bijvoorbeeld. 'Hoe minder een land reëel kan wegen op de zaken, hoe vrijer het zijn morele veroordeling kan manifesteren', schreef de Franse krant op 28 maart 2000 over het beleid van Louis Michel.

Louis Michel is een meester in de zelfverheerlijking, in de zin dat hij zijn rol graag aandikt. Typerend was dat hij op het congres in Gent aangaf waarin zijn succes bestaat. Hij dichtte zich heel wat visie, vastberadenheid en doorzettingsvermogen toe. En ja, dat werpt vruchten af. Het eindresultaat mag tellen: 'Ons land is present op de wereldscène. Zijn rol wordt gewaardeerd.' Applaus volgde.

Wim VAN DE VELDEN

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud