Christen-democraten nog net marktleider

(tijd) - Bij de 'moeder van alle verkiezingen', op 13 juni 1999, bleven de Vlaamse christen-democraten nog net marktleider. Van de Vlaamse kiezers stemde 28,3 procent op ten minste een van de CVP-lijsten voor Kamer, Senaat, Vlaams Parlement en Europees Parlement. De voorsprong op de VLD, die in 1995 nog 8 procentpunten bedroeg, kalfde af tot 0,2 punten. Door de voortschrijdende afslanking van de groep kerkse katholieken, waar zij het sterkst staan, ziet de electorale toekomst van de christen-democraten er somber uit.

Dat blijkt uit 'De kiezer heeft zijn redenen', een boek waarin Vlaamse politologen en sociologen het stemgedrag en de stemmotieven bij de verkiezingen van 13 juni 1999 analyseren. Het werd gisteren in Leuven voorgesteld. De analyses zijn gebaseerd op het onderzoek dat het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek (ISPO) van de KU Leuven in de periode september 1999 - januari 2000 bij 2.179 Vlaamse kiezers deed. Het is het derde postelectorale ISPO-onderzoek op rij. Van de respondenten namen er 1.237 sinds '91 aan het onderzoek deel en 224 sinds '95; de overige 718 waren nieuw.

De electorale sterkte van een partij wordt gewoonlijk gemeten aan haar resultaat bij de verkiezingen voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Op 13 juni 1999 had de kiezer evenwel vier stemmen. Naast de Kamer werden de Senaat, het Europees Parlement en, wat Vlaanderen betreft, het Vlaams Parlement verkozen. Kiezers die dat wilden, konden dus 'gesplitst' stemmen.

Bij de verkiezingen van 21 mei 1995 was dat ook al het geval. Toen werden de leden van de Kamer, de Senaat en het Vlaams Parlement verkozen. Bart Maddens (KU Leuven) stelde vast dat 23,9 procent van de Vlaamse kiezers in 1995 voor meer dan één partij stemde (20,9 procent voor twee partijen en 3 procent voor drie partijen).

Vier jaar later, bij de 'moeder van alle verkiezingen', is het 'gesplitst stemmen' nog toegenomen. Maddens en Istvan Hajnal (KU Leuven) berekenden op basis van de ISPO-survey dat 29,1 procent van de Vlaamse kiezers hun vier stemmen over twee of meer partijen hebben verdeeld: 22,1 procent stemde op twee partijen, 5,8 procent op drie partijen, 1,2 procent op vier partijen.

Door de stemmensplitsing kan een partij meer stemmen halen dan uit de uitslag van de verkiezingen voor de Kamer blijkt. Het ISPO-onderzoek leert dat de CVP/Cd&V in 1999 nog altijd het grootste electoraat had. 28,3 procent van de Vlaamse kiezers stemde ten minste één keer op een CVP-lijst (voor de Kamer haalde de CVP 22,2 procent van de geldige stemmen). De VLD, die de Kamerverkiezingen won (22,6%), had met 28,1 procent het op één na grootste electoraat. Nadien komen de SP/sp.a met 18,3 en Agalev met 17,6 procent. Het Vlaams Blok, de derde partij in de Kamer (15,3%), staat maar op de vijfde plaats met 17,3 procent. VU-ID kreeg van 15,2 procent van de Vlaamse kiezers ten minste één stem.

Bij de verkiezingen van 1995 had de CVP nog een electoraat van 31,2 procent. De VLD kreeg toen van 23,2 procent van de kiezers ten minste één stem. In vier jaar tijd zijn de liberalen erin geslaagd hun electoraat met bijna 5 procentpunten te vergroten, terwijl dat van de CVP/CD&V met bijna 3 punten is gekrompen.

Ook bij het kernelectoraat, de groep kiezers die vier keer voor dezelfde partij hebben gestemd, was de CVP met 21,8 procent de grootste partij, vóór de VLD (20,9), het Vlaams Blok (17) en SP/sp.a (14,4). Agalev kreeg maar 8,3 procent van de 'volledige stemmen', VU-ID slechts 6,5 procent.

Per partij bekeken, heeft het Vlaams Blok het grootste kernelectoraat. Van zijn kiezers bracht 69,5 procent voor de vier assemblees vier keer eenzelfde stem uit. Het kernelectoraat van de andere grote partijen ligt tussen 50 en 55 procent: 55,7 bij SP/sp.a, 54,8 bij CVP/CD&V en 52,6 bij VLD. De twee kleinste partijen hebben een smal kernelectoraat: 33,4 procent bij Agalev, 30,3 procent bij VU-ID.

Bij het 'gedeelde electoraat', de kiezers die voor twee of meer partijen hebben gestemd, scoren de liberalen beter dan de christen-democraten. Met name in de groep kiezers die driemaal voor dezelfde partij en één keer voor een andere partij stemden, won de VLD (27,4%) afgetekend van de CVP/CD&V (17,7%). Het is dankzij die 'halve kiezers', zeggen Maddens en Hajnal, dat de VLD de grootste Vlaamse partij werd in de Kamer, de Senaat en het Europees Parlement. Die 'halve' kiezers stemden voor de VLD ter wille van het thema van de politieke vernieuwing.

Bij het 'gesplitst' stemmen zijn vele combinaties mogelijk. De meest voorkomende waren CVP/VLD, CVP/VU-ID, Agalev/VU-ID, VLD/Agalev en VLD/VU. Maddens en Hajnal stippen aan, dat bij het gesplitst stemmen in 1999 voor het eerst het links-rechtspatroon doorbroken werd. Enerzijds zijn in alle partijen, op het Vlaams Blok na, relatief veel kiezers te vinden die ook op Agalev stemden, waarschijnlijk een gevolg van de dioxinecrisis. Anderzijds stemde ruim een kwart van de splitsende SP/sp.a-kiezers ook voor de VLD, bijna dubbel zoveel als in 1995. Er werd het meest 'afwijkend' gestemd voor het Vlaams Parlement en het Europees Parlement. De kiezers beschouwden beide assemblees blijkbaar als tweederangs.

In een ander rapport komt Kris Deschouwer (VUB) tot de conclusie dat, als de CD&V er niet in slaagt kiezers te rekruteren buiten de groep van de - vooral kerkse - katholieken, zij verder terrein zal verliezen. De zeer nauwe samenhang die in het ISPO-verkiezingsonderzoek van 1991 en 1995 werd vastgesteld tussen kerkpraktijk en stemgedrag, werd in 1999 'zeer krachtig' bevestigd.

Van de CVP/CD&V-kiezers is volgens de ISPO-survey 95 procent katholiek; 41,3 procent zegt kerks te zijn, dit wil zeggen (bijna) wekelijks een kerkdienst bij te wonen. Van de VLD-kiezers zegt 74 procent katholiek te zijn (11,4% kerks). Agalev (42,8%), SP (36,1%) en Vlaams Blok (33,5%) hebben het grootste aantal niet-katholieke kiezers.

Het scherpe, aan de kerkpraktijk gebonden profiel van de CVP is op termijn geen bemoedigend gegeven, zegt Deschouwer. De groep kerkse katholieken, die voor de helft op de CVP stemt, is sinds 1991 gekrompen van 26 procent van het kiezerskorps tot 17 procent. Die daling is verantwoordelijk voor een stemmenverlies van 5 procentpunten, zegt Deschouwer. Daar komt bij dat er een bijzonder sterke relatie is tussen kerkpraktijk en leeftijd. Van de 55-plussers is 37 procent kerks, van de kiezers die jonger zijn dan 34 jaar amper 3 procent. In de eerste groep waren in 1999 33 procent CVP-kiezers, in de tweede maar 11 procent. 'De duidelijke relatie tussen kerkpraktijk en leeftijd laat toe heel eenvoudig te stellen dat als de CVP er niet in slaagt te rekruteren buiten het electoraat dat vandaag het trouwste is aan de partij, ze in de toekomst verder zal verliezen', schrijft Deschouwer.

Marc Swyngedouw en Jaak Billiet (red.), 'De kiezer heeft zijn redenen. 13 juni 1999 en de politieke opvattingen van Vlamingen'. Uitgeverij Acco, 286 blz., 24 euro. ISBN 90-334-5267-7.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud