Redacteur Politiek

De klimaatambitie van de Europese Commissie is de juiste. Maar één vraag wordt te makkelijk vergeten: als te weinig mensen volgen, wie leidt dan nog het klimaatbeleid?

Woensdagnamiddag geeft Ursula von der Leyen, de voorzitster van de Europese Commissie, haar state of the union, waarin ze haar beleid voor het komende jaar schetst. In het Brusselse Berlaymontgebouw werd de voorbije dagen duidelijk dat de strijd tegen de opwarmende planeet een centrale rol krijgt.

De ambitie is helder: tegen 2030 moet Europa 55 procent minder CO2 uitstoten in vergelijking met 1990. Het moet de - verhoogde - tussenstap worden om tegen 2050 de hele Europese Unie klimaatneutraal te maken.

Over die ambitie bestaat een ruime consensus. Een grote meerderheid in het Europees Parlement steunt minstens het doel. 150 grote Europese bedrijven schaarden zich dinsdag achter de Europese klimaatdoelstellingen. Maandag zei de Britse oliegroep BP in haar jaarlijkse energierapport dat de overheid koolstof duurder moet maken. Nog eerder dit jaar, op het Wereld Economisch Forum in Davos, was de vaststelling dat de internationale bedrijfswereld inziet dat klimaat tot de essentie van zijn business is doorgedrongen.

Dat laat de EU toe voor te lopen op de rest van de wereld in klimaatbeleid. Dat is de juiste ambitie, maar het roept een cruciale vraag op die te makkelijk wordt vergeten: als de Commissie leidt, wie volgt dan?

De vraag stelt zich om te beginnen voor de rest van de wereld. De EU stoot 9 procent van de wereldwijde CO2 uit en zal het klimaat niet alleen redden. Een grote inspanning moet van China komen, dat goed is voor de helft van alle steenkool-uitstoot. Er zijn vanzelfsprekende stappen vooruit, zoals een ecologische grensbelasting. Maar de Europees-Chinese top maandag bracht op die punten geen grote doorbraak. In de Verenigde Staten is het wachten op de presidentsverkiezingen van dinsdag 3 november.

De vraag of voldoende mensen het leiderschap van de Commissie volgen, stelt zich vooral in de EU zelf. Er bestaat een grote consensus over dat niets doen aan het klimaat meer kost dan iets doen. En dat goed gerichte investeringen later geld opleveren.

De grote onbeantwoorde vraag - waar ook de Commissie omheen fietst - is wie die investeringen voorschiet. Welke sectoren? Welke landen? Dat leidt tot een reeks lastige vervolgvragen. Hoelang hebben we nog kernenergie nodig? Wanneer rollen in de EU de laatste diesels van de band? Hoe duur wordt het isoleren of (ver)bouwen van een huis? Worden energie en een brede waaier aan grondstoffen niet alleen duurzamer maar ook duurder?

Eerder deze maand waarschuwde de gouverneur van de Nationale Bank van België, Pierre Wunsch, voor de utopie van het gratis klimaatbeleid. Ook de Commissie onderbouwt volgens hem te makkelijk haar klimaatambitie met te wankele veronderstellingen over technologische vooruitgang die te comfortabel suggereren dat dat de burger niets zal kosten.

Dat de Commissie de klimaatambitie opschroeft, is goed. Het is rationeel bekeken een verzekeringspolis voor onze kinderen en kleinkinderen. Maar om dat doel te bereiken moet na de ambitie een pragmatischer en realistischer pad volgen. Anders zal de Europese leider over zijn schouder kijkend merken dat te weinig mensen volgen.

Lees verder

Gesponsorde inhoud