Een verdeeld koninkrijk

Senior writer

De brexit trekt diepe sporen in de Britse politiek. De vraag om een nieuw Schots onafhankelijkheidsreferendum komt daardoor als een boemerang terug.

Twee politieke leiders domineren het politieke landschap in het Verenigd Koninkrijk. Het gaat om de Britse premier Boris Johnson en de Schotse minister-president Nicola Sturgeon. Ze kunnen moeilijk meer van elkaar verschillen, en het toont aan dat de brexit zeer diepe sporen heeft nagelaten en de Britse politiek verregaand heeft verlegd.

De Conservatieve partij van Johnson haalde een eclatante overwinning in Engeland. De beruchte rode muur van Labour in het noorden en oosten werd vakkundig gesloopt door de tory's. Labour zwalpt daar al een hele tijd hulpeloos rond en haar historische electoraat, de arbeidersklasse, heeft bij de verkiezingen van 'superdonderdag' de partij de rug toegekeerd. Behalve in enkele grote steden is de sociaaldemocratische partij van de kaart geveegd.

Door de pandemie zijn de resultaten van 'superdonderdag' maar heel traag binnengesijpeld. Het ging om een gigantische verkiezing, waar meer dan 5.000 mandaten verdeeld moesten worden. En de inwoners van Wales en Schotland kozen een nieuw regionaal parlement.

De verdeeldheid van het Verenigd Koninkrijk is groter dan ooit tevoren. Ze lijmen lijkt zelfs onbegonnen werk.

In Wales bleef Labour wel duidelijk aan de macht. Dat deel van het Verenigd Koninkrijk kleurde rood. In Schotland haalden de nationalisten het. De Schotse Nationale Partij (SNP) van Nicola Sturgeon kwam net een zetel tekort om de volstrekte meerderheid in Holyrood te halen. Een zetel die ze wellicht verloor omdat Alex Salmond, de eerste Schotse premier, zich afscheurde van de partij. Maar met de steun van de Groenen, die eveneens voor Schotse onafhankelijkheid zijn, hebben de nationalisten de grootste meerderheid sinds 1999 in het parlement.

Net als Labour in Wales zijn de SNP en de Groenen progressief, en staan ze dus idelogisch tegenover de Engelse Conservatieven.

Loopgraven

De Schotse onafhankelijkheid stond hoog op de agenda. Nicola Sturgeon laat nu verstaan dat de vraag niet langer is 'of' er een referendum over onafhankelijkheid komt, maar 'wanneer'.

Vanuit Westminster is altijd gezegd dat een referendum niet aan de orde is. Het vorige referendum in 2014 was een 'eens in een generatie'-kans. Maar het brexit-referendum van 2016 herschudde de politieke kaarten grondig: Schotland koos toen overduidelijk om bij de EU te blijven, Engeland om de EU te verlaten.

Sindsdien is iedereen dieper in de eigen loopgraven gekropen. Beide leiders beseffen gelukkig dat de bestrijding van de coronapandemie (voorlopig) voorrang heeft. Niemand wil in deze coronatijden de krachtmeting echt aangaan.

De vraag is niet langer 'of' er een referendum over onafhankelijkheid van Schotland komt, maar 'wanneer'.

De bal ligt nu in het Engelse kamp. Britse hardliners als minister Michael Gove spelen het hard en blijven 'neen' zeggen tegen het referendum. Hij laat zelfs in het midden of zo'n referendum niet door een rechtbank verboden moet worden. Dat zou onmiddellijk leiden tot Catalaanse toestanden, waarbij de Spaanse overheid haar rechtbanken gebruikt om onafhankelijkheid te verbieden.

Johnson is genoeg een politiek dier om te weten dat dit een gevaarlijk pad is. Hij bood al overleg aan. Maar in Schotland zijn ze dat station voorbij.

De vaststelling is dat de brexit het Verenigd Koninkrijk wel uit de EU kreeg, maar dat het referendum het voortbestaan van de Britse unie op het spel zette. De verdeeldheid van het Verenigd Koninkrijk is groter dan ooit tevoren. Ze lijmen lijkt zelfs onbegonnen werk. De Schotse onafhankelijkheid staat opnieuw op de agenda.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud