Eerste stap op lange weg

Senior writer

Het G-7-akkoord over het belasten van multinationals is een belangrijke eerste stap. Maar er is nog een lange en moeilijke weg te gaan.

De ministers van Financiën van de G7, de grootste ‘westerse’ industrielanden, zijn het dit weekend eens geworden over de krachtlijnen voor een hervorming van het belasten van multinationale ondernemingen.

De oude afspraken daarover zijn achterhaald door de veranderde economische realiteit. Daardoor kunnen internationaal opererende ondernemingen, vooral die uit de digitale economie, behendig tussen de belastingregels door fietsen. Het resultaat is schadelijke belastingconcurrentie. Schadelijk voor regeringen die belastinginkomsten mislopen. Schadelijk voor ondernemingen die niet van dezelfde fiscale gunstbehandeling kunnen genieten.

Er moest iets gebeuren. De grote economische blokken, die de jongste jaren een eigen koers varen, hebben ingezien dat ze op dit terrein moeten samenwerken. Alleen al daarom is dit G-7-akkoord opmerkelijk.

Maar natuurlijk is het ook een compromis, dat tegemoet komt aan verschillende wensen en verzuchtingen.

Ten eerste is afgesproken dat landen multinationale ondernemingen kunnen belasten als ze daar activiteiten hebben, ook al wordt de winst officieel elders geboekt. Ten tweede is het de bedoeling multinationals te onderwerpen aan een minimumbelasting van ten minste 15 procent. En ten derde zouden landen moeten afzien van een eigen digitaks. Wat een land daardoor langs de ene kant verliest aan mogelijke belastinginkomsten, kan het terugwinnen langs een andere kant.

Multinationals hebben er baat bij dat er een duidelijk nieuw kader komt dat een vloed van nationale belastinginitiatieven verhindert, dubbele belasting vermijdt en rechtszekerheid biedt.

Ook voor de multinationals zelfs zijn de nieuwe afspraken geen slechte zaak. Ze weten dat het gebruik van internationale vluchtroutes via complexe constructies maatschappelijk niet meer aanvaard wordt, en dat daar dus eerder vroeg dan laat een einde aan komt. Tegelijk hebben ze baat bij een duidelijk nieuw kader dat een vloed van nationale belastinginitiatieven verhindert, dubbele belasting vermijdt en rechtszekerheid biedt.

Het G-7-akkoord ‘historisch’ noemen, is echter overdreven. Er is nog een lange en lastige weg te gaan om de krachtlijnen om te zetten in gedetailleerde regels die alle landen bereid zijn toe te passen. De aanvaarding ervan door de G-20, de groep van twintig grootste landen, is een volgende stap. Maar zelfs dan is nog niet iedereen aan boord. Ook alle andere landen moeten overtuigd worden mee te doen. Het staat nu al vast dat ze niet allemaal even enthousiast zijn.

Landen die met een voordelig belastingregime regionale hoofdkwartieren van multinationals binnengehaald hebben, dreigen een ferme prijs te betalen.

Want hoewel de nieuwe afspraken tot gevolg kunnen hebben dat multinationals globaal meer belastingen zullen betalen – helemaal zeker is dat echter niet - , zullen er bij de landen winnaars én verliezers zijn. Vooral landen die met een voordelig belastingregime regionale hoofdkwartieren van multinationals binnengehaald hebben – denk aan Ierland - dreigen een ferme prijs te betalen. Niet in de vorm van lagere belastinginkomsten, maar in de vorm van verlies van economische activiteiten en jobs.

Ze moeten inzetten op andere troeven. Luxemburg heeft met zijn fondsenindustrie bewezen dat het kan. Maar het is niet voor alle landen evident, zeker niet voor kleine belastingparadijzen met een beperkte binnenlandse markt. Het risico is reëel dat vooral de grote landen voordeel halen uit de nieuwe regels die in de steigers staan, en dat kleinere landen minder goed af zullen zijn.

Het zou trouwens een kwalijke zaak zijn dat belastingconcurrentie helemaal onmogelijk wordt gemaakt. Want het biedt een verzekering, voor bedrijven en burgers, tegen een onredelijke belastingdrift die uitgaat van de overheid.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud