Beetje bij beetje worden we weer wakker in de politieke discussies van februari. Ze zijn niet opgelost, hooguit enkele maanden vergeten.

Een van de interessantere denkoefeningen van dit tijdperk is wat de voorpagina’s van de kranten en de openingsverhalen van de journaals waren geweest moest het coronavirus écht een griepje gebleken zijn. De kans is groot dat de politieke kopzorgen in die hypothese dingen waren als de stroef lopende gesprekken over een nieuwe handelsdeal met het VK, het verder timmeren aan klimaatbeleid en de zoektocht naar een regering.

De coronacrisis, die terecht onze aandacht opeist, heeft namelijk de problemen van februari niet doen verdampen. Ze heeft alleen maar een waas over de werkelijkheid en al haar oude problemen gelegd en zo vanuit onze persoonlijke bubbel de wereld herleid tot een plek met één probleem. Het virus.

Beetje bij beetje doemen de countouren van de oude wereld echter terug op. Van de economische klap is nog niemand hersteld, maar de ziekenhuisstrijd tegen het virus raakt stilaan onder controle. Op intensieve zorgen liggen nu 371 corona-patiënten, ver van de niveaus die ons ziekenhuissysteem doen crashen.

Als de vraag wie de overheidsfactuur van een twaalftal miljard moet oppikken al sinds mei 2019 leidde tot een ongeziene politieke blokkage, wat moet dat dan straks worden?

Ook in de politiek doemt de oude wereld op, zij het soms met een verrassende draai. Zo is niet het niet meer de vraag wie de koning aan zet brengt om een regering te vormen na september, want we hébben een regering die de steun geniet van een meerderheid in de Kamer. Daarom hebben de PS en de sp.a, samen de grootste politieke familie in de Kamer, de leiding genomen om gesprekken over een regering te herstarten.

En dus zitten we terug bij de politieke vragen van vroeger. Sommige daarvan hebben zich de voorbije maanden zelfs scherper afgetekend. Zo is bijzonder duidelijk geworden dat de zesde staatshervorming in de gezondheidszorg niet de efficiënte welvaartstaat heeft gecreëerd waarop je mag hopen.

Sommige zijn zelfs moeilijker geworden. België kende eind vorig jaar al een overheid die geld uitgeeft dat ze niet heeft en een economie die te traag groeit om de vergrijzingskosten te betalen. De coronacrisis heeft uit dat begrotingsgat de bodem geslagen en de groei is een krimp geworden.

Alsof hij besefte hoe moeilijk het wordt, stelde PS-voorzitter Paul Magnette dit weekend voor dat de huidige regering nog een relanceplan ter waarde van tien procent van het bbp in de steigers zet. Dat is 45 miljard euro. We zitten nog even in tijden waar de vraag naar wie dat moet betalen niet de belangrijkste lijkt. Zelfs de gouverneur van de nationale bank, Pierre Wunsch, zei dat de voorbije maanden.

Maar ook dat kan niet eeuwig blijven duren, niet in het minst voor de regering die voor dit najaar wordt gezocht. En dus wordt het een hard ontwaken in de Wetstraat. Want als de vraag wie de overheidsfactuur van een twaalftal miljard moet oppikken al sinds mei 2019 leidde tot een ongeziene politieke blokkage, wat moet dat dan straks worden? Als de vraag wie dit allemaal betaalt, uiteindelijk toch op tafel komt? En er niemand meer zal zijn om de minderheidspremier te steunen.

Lees verder

Gesponsorde inhoud