De stoutmoedige manier waarop Margrethe Vestager big business aanviel, lijkt op haar limieten te stuiten. Maar een prangende vraag blijft onbeantwoord: hoe belasten we op een correcte manier techbedrijven?

Valt Margrethe Vestager langzaam van haar troon? De Europees commissaris voor Mededinging die de voorbije jaren uitgroeide tot de meest gevreesde vrouw van het Europese bedrijfsleven bijt nu al voor de derde keer in het zand.

Ze gaf in 2015 het startschot in een fiscale strijd door een Nederlandse fiscale constructie rond patenten voor koffiebonen van Starbucks aan te vallen. De strijd voerde haar een jaar later langs België, waar ze de fiscus opdroeg 700 miljoen euro belastingvoordelen - de excess profit rulings - aan multinationals terug te vorderen. De hoofdvogel schoot ze af met Apple, dat dankzij rulings met de Ierse fiscus, volgens Vestager 12 miljard euro belastingen uitspaarde.

In alle drie zaken is Vestager teruggefloten door het Europees Hof van Justitie, omdat onvoldoende bewijzen van een voorkeursbehandeling zijn geleverd. Het belangrijkste breekijzer waarmee ze de fiscale strategie van internationale bedrijven wil openbreken, is plots heel kort geworden.

De Europese politieke wereld zal het over een andere boeg moeten gooien om de bedrijfsbelastingen beter te organiseren.

Dat toont hoe de Europese politieke wereld het over een andere boeg zal gooien om de bedrijfsbelastingen beter te organiseren. In die zoektocht zijn er een paar houvasten.

Het eerste is dat er een reden is waarom elk EU-land een vetorecht heeft over Europese belastingen. Dat is een mechanisme dat diep is ingebakken in een democratie: een parlement stemt over belastingen die de burger moet betalen, maar die burger kan in ruil bij verkiezingen de politici wegstemmen die de belastingen invoeren.

Het tweede is dat er op dit moment geen urgent probleem van inkomsten is, ook al wordt dat door sommigen zo gezien. Volgens data van de OESO haalde België in 2009 2,3 procent van het bruto binnenlands product uit bedrijfsbelastingen. In 2018, aan het einde van de centrumrechtse regering-Michel, was dat opgelopen tot 4,4 procent van het bbp. Voor inkomsten is er dus geen race to the bottom, eerder omgekeerd.

Gordiaanse knoop

Alleen is daarmee het probleem niet opgelost. Dat komt door een heel oud probleem en een nieuw probleem.

Het oude is dat de wereld van de internationale fiscaliteit al ongeveer honderd jaar met een lastige kwestie worstelt: mogen we een dochter van een Amerikaans bedrijf belasten omdat ze in ons land actief is? Of mogen de VS die dochter belasten omdat het om een Amerikaans bedrijf gaat? Landen met veel buitenlandse investeerders, zoals België, verkiezen optie één. Landen die zelf veel investeren, zoals de VS, verkiezen optie twee. Die knoop is nooit ontward en heeft geleid tot een kluwen van meer dan 2.500 belastingverdragen tussen landen.

De strategie om met staatssteun als wapen de strijd te voeren, lijkt zijn grenzen te bereiken. Er zijn nieuwe wapens nodig.

Het nieuwe probleem is dat digitale bedrijven deze gordiaanse knoop alleen ingewikkelder hebben gemaakt. Want waar precies zijn de merknaam 'Apple' en de bijbehorende technologie gecreëerd, die ontegensprekelijk veel geld waard zijn? En waar precies zijn dan de belastingen verschuldigd? De kwestie doet ertoe omdat acht van de tien waardevolste ondernemingen techbedrijven zijn.

De strategie om met staatssteun als wapen die strijd te voeren, lijkt zijn grenzen te bereiken. Er zijn nieuwe wapens nodig om een nieuw en breder doel te raken: hoe organiseren we op een correcte manier de belastingen op techbedrijven?

Lees verder

Gesponsorde inhoud