Het goede voorbeeld

De periode breekt aan dat de grote Belgische bedrijven hun jaarverslag publiceren. Daarin staat meestal vermeld welke vergoeding hun topmanager het afgelopen jaar heeft opgestreken. Die vergoeding zal in de meeste gevallen weer flink zijn toegenomen, want 2006 was een uitstekend economisch jaar en de bedrijven hebben goed geboerd.

(tijd) Een paar bedragen zijn al bekend: topman Carlos Brito van InBev verdiende vorig jaar 3,9 miljoen euro, Albert Frère kende zichzelf 5,5 miljoen euro toe en Didier Bellens, die aan het hoofd staat van het overheidsbedrijf Belgacom, kreeg een cheque van 1,85 miljoen euro. De jaarlijks terugkerende discussie over de hoge managerslonen barst weldra weer los.

Net nu lanceert Francis Verheughe, de nieuwe voorzitter van de werkgeversfederatie Agoria, een pleidooi voor loonmatiging - voor de gewone werknemers welteverstaan - door de wekelijkse arbeidsduur te verlengen zonder financiële compensatie. Hij verwijst daarvoor naar Duitsland, waar dat in een aantal bedrijven inderdaad gebeurd is.

België is min of meer verplicht het Duitse voorbeeld te volgen. Want Duitsland is, meer dan China, een directe concurrent voor onze bedrijven, zeker in de metaalverwerkende industrie. Achter de oproep van Verheughe zit wel degelijk een economische logica. Maar het pleidooi voor loonmatiging valt moeilijk te rijmen met de soms exorbitante vergoedingen die de bedrijfstop voor zichzelf reserveert.

Dat zowel ECB-voorzitter Jean-Claude Trichet als minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht vorige week het probleem van de toplonen heeft aangekaart, is geen toeval. De groeiende inkomensongelijkheid is een ontwikkeling die de beleidsmakers zorgen baart. Ook Ben Bernanke, de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, drukte daar al zijn ongerustheid over uit.

Een vrij grote groep van mensen profiteert niet van de globalisering en lijdt er zelfs onder, maar ziet intussen wel hoe anderen er rijkelijk de vruchten van plukken. In een democratische samenleving leidt dat tot spanningen. Het brengt de sociale cohesie in gevaar en voedt het populisme en de antipolitiek. Het wakkert het protectionisme aan en dat bedreigt de globalisering en de economische voordelen ervan.

Vandaar de beleefde vraag van de beleidsmakers om de toplonen te temperen. Maar wie heeft daar oren naar? Welke topmanager is bereid spontaan zwaar in te leveren voor de goede zaak? Rekenen op de zelfregulering van de privésector om korte metten te maken met de exorbitante vergoedingen is naïef.

Het aftoppen van de hoge managerslonen is trouwens niet de remedie. Het kan in het beste geval de afgunst wat verminderen. Het komt erop aan manieren te vinden om de vruchten van de globalisering evenwichtiger over de hele bevolking te spreiden. Dat is een uitdaging voor de politici en bedrijfsleiders. Ze kunnen intussen al wel wat goodwill creëren door niet alleen te pleiten voor loonmatiging voor de anderen, maar door eerst zelf het goede voorbeeld te geven.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect