<I>Pigment</I> over Palestijnse kinderarbeiders: 'Wij zijn niet verantwoordelijk'

(tijd) - Welke kant gaat het op met Palestina als Yasser Arafat er niet meer is? Die vraag houdt niet alleen Israël en de internationale gemeenschap in haar greep. Vooral de Palestijn in de straat snakt naar een betere toekomst. Want zijn land is een economische puinhoop. De voornaamste getuigen daarvan zijn de 44.000 Palestijnse kinderarbeiders. 'Onze buurjongens werken ook. Niemand kijkt daar eigenlijk van op.'

Jihed (12) kijkt me met grote treurige ogen vanachter de toonbank aan. Zijn vuile T-shirt hangt om zijn magere lijfje. 'Wil je een paar sokken kopen', vraagt hij voorzichtig. 'Als je er vier koopt, krijg je er een gratis.' Samen met zijn een jaar oudere broer Moejihed staat hij op het marktplein van Ramallah op de Westelijke Jordaanoever. De vele kogelgaten in de muren en de puinhopen van afgebroken huizen, herinneren aan het strijdtoneel dat zich er jarenlang heeft afgespeeld. Twee jaar geleden werd het iets verderop gelegen hoofdkwartier van Yasser Arafat door het Israëlische leger belegerd.

De handel gaat vandaag goed, vertelt Moejihed trots. Ze hebben al voor dertig sjekel (zes euro ) verkocht. 'Het is nu het feest van de ramadan en dat is een goede tijd voor ons', legt hij uit. 'Tijdens de feestdagen willen de mensen graag helpen en dan gaat de portemonnee veel sneller open.' De jongens werken voor een man, die hen dagelijks, afhankelijk van de verkoop, twintig tot dertig sjekel betaalt. De man is niet aanwezig en zijn naam willen de broertjes niet geven. Waarom niet? 'Ik wil mijn baantje niet verliezen. Hij is gewoon onze baas. Hij koopt die sokken in', zeg Jihed zonder verdere uitleg.

Weten Jihed en Moejihed, dat ze nog niet mogen werken en dat hun baas iets illegaals doet? Ze kijken elkaar aan en halen hun schouders op. 'Er werken heel veel kinderen in Palestina, dat is niets bijzonders', probeert Moejihed me uit te leggen. 'Onze buurjongens werken ook. Niemand kijkt daar eigenlijk van op.'

Het leven van de gewone Palestijn is de jongste vier jaar, sinds het begin van de tweede intifada, dramatisch achteruitgegaan. Dat is de conclusie van het bureau voor coördinatie van humanitaire zaken van de Verenigde Naties, dat het leven van de Palestijnen en de impact van de afscheidingsmuur registreert. De gegevens liegen er niet om. Het aantal Palestijnen dat dagelijks in Israël werkte, bedroeg voor de intifada 150.000 en is teruggebracht tot minder dan 35.000. Van de 2,2 miljoen Palestijnen op de westelijke jordaanoever leeft nu 50 procent onder de armoedegrens van 2 dollar per dag. En 40 procent van de Palestijnen is onzeker of zij hun gezin kunnen voeden.

De situatie is het ergst in de vluchtelingenkampen. Ouders moeten toezien hoe hun kinderen zonder enige vorm van onderwijs en opvoeding op straat opgroeien. Vaders zijn werkloos en kunnen hun gezinnen niet onderhouden. En er is geen enkel vooruitzicht op enige verbetering.

De Palestijnse kinderen zijn vaak de ware kostwinners van de kampen. Je vindt ze bedelend langs de straten van Ramallah. Ze worden 'één sjekel kinderen' genoemd, omdat ze snoepgoed, kauwgum en goedkope plastic bekertjes voor een sjekel per stuk verkopen. De gelukkigen slagen erin te bedelen en hun waar te verkopen in Israël. Ze doen dat vooral bij de grote kruispunten van Jeruzalem, Um El Fahem en Nazareth.

Volgens Daoud Dirawi, juridisch onderzoeker van Defense for Children International - een internationale organisatie die zich inzet voor de ontwikkeling en bescherming van de rechten van het kind - verdienen meer dan 44.000 Palestijnse kinderen op die manier de kost. De meeste zijn jonger dan vijftien jaar. 'Het jongste kind dat ik op straat heb aangetroffen, was zes jaar oud. Hij verkocht citaten uit de koran voor een sjekel per stuk', zegt Dirawi.

De gemiddelde werkdag van die kinderen duurt op 10 uur, maar sommigen werken langer dan 12 uur. Hun inkomsten bedragen 20 à 30 sjekel per dag. Volgens Mohammed Mahajina, medisch adviseur van de Israëlische gemeente Um El Fahem lopen de kinderen een groot risico.

'Ze vormen een gemakkelijke prooi voor uitbuiting. In de helft van de aan ons bekende gevallen worden kinderen geëxploiteerd. Ze worden door koppelbazen op de Westelijke Jordaanoever geronseld en daar tewerkgesteld of met busjes naar de grens gebracht. In mijn omgeving komen de kinderen via een gat in de afscheidingsmuur in Bartaá Israël binnen. Ze blijven de hele week in Israël en slapen in parken of langs de weg. De kinderen geven het geld af aan een organisatie en krijgen een vaste vergoeding.' Volgens Mahajina is hulpverlening erg moeilijk. Er is nauwelijks een uitwisseling van gegevens tussen Israël en de Palestijnse autoriteit en met de kinderen krijg je geen contact, omdat ze doodsbang zijn.

Het is vier uur 's middags. Voor het verkeerslicht op het kruispunt van 'French Hill' in Jeruzalem, loopt de kleine Husan (8) met een uitgestrekt handje tussen de wachtende auto's . Hij komt terug met een sjekel. Husan woont in het Kalandia-vluchtelingenkamp aan de andere kant van de afscheidingsmuur. Om de controlepost te omzeilen en Israël binnen te geraken, heeft Husan anderhalf uur moeten lopen, vertelt hij, dwars door de heuvels en de Wadi - de vallei die achter de militaire checkpost van Kalandia ligt.

En wat doet de gemeente Jeruzalem aan die situatie? Raffi, de woordvoerder van de gemeente, zegt dat hij geen antwoord heeft. 'Het gaat om kinderen uit de Palestijnse gebieden. Zij vallen onder de verantwoordelijkheid van de Palestijnse autoriteiten. Dat zo'n kind toevallig op een kruispunt in Jeruzalem staat te bedelen, maakt het nog niet het probleem van onze gemeente. Wij zijn niet verantwoordelijk.'

De Israëlische arbeidsinspectie bemoeit zich ook al niet met het probleem. Er is geen sprake van arbeid in de zin van de arbeidswet, is het commentaar. En de politie stuurt af en toe een patrouillewagen om een paar kinderen op te pakken en hen naar de controlepost te brengen, maar de volgende dag zijn ze er weer.

Ook Achmed (15) werkt illegaal in Israël. Hij heeft geen papieren en is niet verzekerd. Hij verdient heel behoorlijk in de bouw, legt hij uit, wel 40 sjekel per dag. Maar de jongste tijd wordt het steeds moeilijker Israël binnen te glippen. Hij laat een wond in zijn buik zien. 'Twee maanden geleden werd ik door soldaten beschoten toen ik van mijn werk naar huis liep. Ik heb een week in het ziekenhuis gelegen en twee weken niet kunnen werken.'

Achmed neemt ons mee naar zijn huis in het Am'ari vluchtelingenkamp ten zuiden van Ramallah. De woning bestaat uit één kamer met kale cementen muren, langs de kant opgerolde matrasjes, een oude bank, een stoel en voor de rest helemaal niets. Hier woont Achmed met zijn ouders en zeven broertjes en zusjes.

Jimal (36), Achmeds vader, heeft kennelijk mijn blik gevolgd en zegt ineens vinnig: 'Ja, we wonen allemaal in deze ene kamer en 's nachts slapen we hier. De meisjes aan de ene kant en de jongens aan de andere. Maar we zijn geen uitschot!' Jimal is werkloos. Drie jaar geleden viel een betonnen plaat op zijn arm. Die kan hij nauwelijks nog bewegen. Het gezin is afhankelijk van het salaris dat Achmed en zijn zes jaar jongere broertje Rami - die in een autobandenbedrijf werkt - verdienen. Dat is hoogstens 50 sjekel (10 euro) per dag voor een gezin van tien personen.

Hoe kun je van zo'n bedrag rondkomen? Hoe betaalt Jimal bijvoorbeeld de elektriciteitsrekening? En wie betaalt de doktersrekening als een kind ziek wordt? De elektriciteitsrekening is heel laag, legt Jimal uit. Ze gebruiken de elektriciteit alleen 's nachts voor de koelkast. Er is geen verwarming, verlichting of telefoon.

Als een kind ziek wordt, gaan ze naar het medische centrum van UNWRA (UN Relief and Works Agency for Palestinian Refugees in the Near East). De dokters werken daar zo goed als gratis.

'Het is verschrikkelijk voor een vader zijn jonge kinderen te zien werken. Ik wil dat ze hun school afmaken en een toekomst opbouwen, maar we zitten muurvast. Er is geen keuze', zucht Jimal. 'Het is allemaal mijn schuld. Als we niet zoveel kinderen hadden en ik ander werk had, dan zouden mijn jongens niet hoeven te werken'.

Simonne KORKUS

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud