Senior writer

De afwijzing van het loonakkoord door het ABVV bewijst het failliet van het systeem waarin de regering een belangrijk stuk van het beleid uitbesteedt.

Als vakbond organiseer je een nationale staking omdat je een voorgestelde loonsverhoging van 0,8 procent over twee jaar onvoldoende vindt. Je legt de lat op ten minste 1,4 procent, want je hebt van flink meer koopkracht voor de werknemers een strijdpunt gemaakt. Dan kan je geen genoegen nemen met een aanbod van 1,1 procent loonsverhoging. Het betekent dat je inbindt omdat je een habbekrats - twee keer 0,15 procent - extra krijgt.

Het is dus geen verrassing dat de achterban van de socialistische vakbond ABVV het ontwerp van loonakkoord verwerpt dat de vakbonden en de werkgevers in februari hebben onderhandeld. Ook aan andere eisen van de socialistische vakbond, bijvoorbeeld een fors hoger minimumloon, komt het akkoord niet tegemoet.

Met zijn afwijzing heeft het ABVV weinig te verliezen. De kans bestaat dat de regering het loonakkoord, dat de steun heeft van de christelijke en de liberale vakbonden én van de werkgevers, toch bekrachtigt. De loonstijging van 1,1 procent voor 2019 en 2020 is haast zeker verworven. Tegenover zijn leden kan het ABVV claimen zich niet met een aalmoes te hebben laten afschepen. Die militante houding kan helpen het vuur bij de achterban brandend te houden.

De politieke beleidsverantwoordelijken moeten meer zelf durven te beslissen. Dat is hun job. Die mogen ze niet van zich afschuiven.

Het is uitkijken wat de regering in lopende zaken gaat doen. Coalitiepartner Open VLD heeft de voorbije weken duidelijk gemaakt niet akkoord te gaan met de afspraken over een soepeler brugpensioen die samen met het loonakkoord zijn gemaakt.

Experiment

Het is niet uitgesloten dat de regering haar handen van het interprofessioneel akkoord afhoudt. Dan zullen de onderhandelingen tussen werkgevers en vakbonden over lonen en andere afspraken in de bedrijfssectoren en de individuele ondernemingen plaatsvinden, zonder een nationaal raamakkoord. Dat wordt een interessant experiment. Het kan aantonen dat de afspraken op nationaal niveau geen meerwaarde hebben.

Met die nationale afspraken tussen vakbonden en werkgevers is iets vreemds aan de hand. Ze bestrijken domeinen die buiten de onmiddellijke bevoegdheden van de sociale partners liggen, en voor de uitwerking van sommige van hun afspraken hebben ze overheidsgeld nodig, of regels die door de regering bij wet of koninklijk besluit opgelegd moeten worden.

De regering is partij bij het interprofessioneel akkoord, maar mag bij de onderhandelingen niet mee om de tafel zitten.

De regering is partij bij het interprofessioneel akkoord. Maar bij de onderhandelingen mag ze niet aan tafel zitten. Ze mag het akkoord wel bekrachtigen, pro forma. En dat doet ze gewoonlijk ook, zonder veel tegenpruttelen. Omdat het akkoord de sociale vrede in het land verzekert, luidt het dan. Welke sociale vrede? België is een van de Europese stakingskampioenen.

Die manier van werken houdt in dat de regering een belangrijk deel van het beleid uitbesteedt aan twee partijen, vakbonden en werkgevers, die er belang bij hebben dat er niet te veel verandert. Dat van grote hervormingen om onze economie dynamischer te maken niet veel in huis komt, verbaast dan ook niet. De politieke beleidsverantwoordelijken moeten meer zelf durven te beslissen. Dat is hun job. Die mogen ze niet van zich afschuiven.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud