Mañana, mañana

©Photo News

Door het doel van het begrotingsevenwicht telkens weer voor zich uit te schuiven, creëren onze beleidsmakers een economisch gevaarlijke situatie.

Het klonk stoer toen de regering-Michel in 2014 van start ging: tegen 2018 zou ze de begroting in evenwicht brengen. Een gezondere begroting, het was de ambitie van de nieuwe coalitie om daarmee het verschil te maken met de vorige ploeg, die door de PS’er Elio Di Rupo werd geleid.

Waar een wil is, heet een weg te zijn. Maar de wil was blijkbaar niet erg groot. Want het ziet ernaar uit dat de regering-Michel haar begrotingsdoelstelling, die ze al tot 2019 opgeschoven had, niet zal halen. Ze heeft het de voorbije jaren te zeer laten hangen. Om de volgende regering als geschenk een begroting in evenwicht na te laten, moeten in 2019 nog voor enkele miljarden euro saneringen gebeuren. Geen enkele partij durft dat aan in een verkiezingsjaar.

Leg het de kiezers maar voor: zijn ze bereid belastingverhogingen te accepteren en een daling van de overheidsuitgaven die ze persoonlijk voelen, of kunnen ze leven met een tekort op de begroting? De keuze zal vlug gemaakt zijn. Met een begroting in evenwicht win je geen verkiezingen. Door nieuwe belastingen op te leggen en te snoeien in uitkeringen en subsidies verlies je verkiezingen.

Luc Coene, de voormalige gouverneur van de Nationale Bank, wees er al herhaaldelijk op en het wordt nu opnieuw bewezen: zonder zware externe druk slaagt de overheid er niet in orde op zaken te stellen in haar financiële huishouden. Al bijna twintig jaar lang beloven opeenvolgende regeringen het begrotingstekort weg te werken. Om vervolgens jaar na jaar de lat weer lager te leggen, omdat ze er anders toch niet over geraakt.

Het doel de begroting in evenwicht te brengen en niet meer uit te geven dan er binnenkomt in de schatkist, wordt telkens weer op de lange baan geschoven. Mañana, mañana. Altijd is er wel een excuus. De ene keer luidt het dat de regering de prille economische groei niet wil fnuiken, de andere keer zegt ze dat ze broodnodige investeringen wil doen die nu weliswaar wat geld kosten, maar die het groeipotentieel van de Belgische economie op termijn ferm opkrikken.

Dat uitstelgedrag is perfect te verklaren door de politieke logica. Maar economisch houdt het een groot risico in. Want zolang België de begrotingstekorten blijft opstapelen, ook al zijn die niet zo groot, kan de staatsschuld niet significant worden teruggedrongen. Ons land torst een schuld van iets meer dan 100 procent van het bruto binnenlands product. Dat is draagbaar omdat we in een uitzonderlijke periode zitten van bijzonder lage rente. Maar vroeg of laat komt daar een einde aan.

België zit dicht bij zijn maximaal houdbare schuld, waarschuwde de Europese Commissie al in een vroeger rapport. Als ons land wordt geconfronteerd met een nieuwe economische crisis die de overheidsuitgaven - voor werkloosheid bijvoorbeeld - onverhoeds doet stijgen en de belastinginkomsten doet dalen, en als de rentebetalingen bovendien omhoogschieten, hebben we een serieus probleem.

Zelfs als die schok uitblijft, hebben we een probleem. Het IMF becijferde zopas dat als rekening wordt gehouden met de toekomstige pensioenverplichtingen en uitgaven voor gezondheidszorg, de overheidsschuld in ons land eigenlijk 200 procent van het bbp bedraagt.

Beleidsmakers die uit politieke gemakzucht daarvoor hun kop in het zand steken, schieten tekort in hun opdracht. Want regeren houdt in vooruit te zien en daar de ogen niet voor te sluiten.

Reageren? Deel uw mening met ons en andere lezers op tijd.be/commentaar

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud