Martin Hinoul, ex-kabinetschef Economie, wil grondige keuzes Vlaamse economie

(tijd) - Als de Vlaamse overheid de economische toekomst van deze regio wil veiligstellen, zal ze meer keuzes moeten maken. Ze moet weten welke bedrijven ze naar hier wil halen, en in welke vernieuwende sectoren ze zelf investeert. Dat zegt Martin Hinoul, in een vorig leven kabinetschef van Vlaams minister van Economie Jaak Gabriëls. Innovatie is niet het probleem, wel de financiële slagkracht van innovatieve bedrijven, vindt hij.

Martin Hinoul is een bevoorrecht waarnemer van de Vlaamse economie. Hij doctoreerde als fysicus aan de KULeuven en deed onderzoek aan de vermaarde Amerikaanse universiteiten Stanford en MIT. Nadien ging hij in de VS werken voor het telecombedrijf ITT en zag hij in Californië in de jaren zeventig het embryo van Silicon Valley ontstaan. In de jaren tachtig ging hij voor het latere Alcatel twee jaar naar China.

Nadien woonde hij zes jaar in Los Angeles, waar hij voor de regering-Tindemans de evolutie van de Amerikaanse wetenschap en technologische sector opvolgde en buitenlandse investeerders zocht. Begin jaren negentig ging hij acht jaar in de lobbystad Washington D.C. wonen. Begin jaren 2000 was hij twee jaar de kabinetschef van Jaak Gabriëls (VLD), toen Vlaams minister van Economie en Buitenlandse Handel.

Nu is Martin Hinoul 'business development manager van de high technology region Leuven', een samenwerking tussen de KULeuven, de stad Leuven en Interleuven. De regio telt vandaag zo'n driehonderd technologiebedrijven, vertelt hij trots. 'Samen zijn ze goed voor een omzet van een kleine 5 miljard euro en een jaarlijkse groei van 10 tot 12 procent. Daar valt van Verhofstadt van achterover. Toch?'

Als de Vlaamse regering een klimaat wil creëren waarin jobs ontstaan, is er economische groei nodig. En dan resten er slechts twee opties. Ofwel laat de regering de Vlaamse bedrijven groeien, ofwel trekt ze investeringen uit het buitenland aan. Het eerste kan alleen maar door in te zetten op de sectoren van de toekomst: de kennisbedrijven. Het tweede gebeurt door een agressief en doelgericht investeringsbeleid. Hinoul spreekt respectievelijk van het Finse en het Ierse model.

Laat ons beginnen met de Ieren. Wat hebben zij gedaan dat de Vlamingen hebben nagelaten te doen?

Hinoul: 'Ierland is nu - per capita - samen met Luxemburg de rijkste EU-lidstaat, maar twintig jaar geleden waren de Ieren het armste volk van Europa. Ze konden zeker geen 3 procent van het bruto binnenlands product in onderzoek en ontwikkeling investeren, want ze hadden het geld niet. De overheid heeft er toen beslist buitenlandse investeringen aan te trekken en heeft daarvoor de meeste performante organisatie uitgebouwd die ik ooit heb gezien: de Irish Development Authority. Toen ik in Los Angeles woonde, kwam ik die geregeld op mijn weg tegen. Die mannen gingen achter alle deals aan en haalden ze binnen.'

Wat deden ze beter dan de anderen om buitenlandse investeerders te overtuigen?

Hinoul: 'Om te beginnen: een zeer agressief investeringsbeleid. In Silicon Valley werkten ze met 15 mensen. Ze hebben er iedere steen zes keer omgedraaid. Ze kennen er iedere algemeen directeur. Vlaams minister-president Yves Leterme bezoekt geregeld de buitenlandse hoofdkwartieren van de grootste werkgevers in Vlaanderen. Proficiat. Tien op tien. Maar hij zou hetzelfde moeten proberen met potentiële investeerders.'

'De Ieren hebben bovendien hun vennootschapsbelasting verlaagd tot 12 procent. Dat is niet alleen laag, het is ook duidelijk. Wij hebben het jaren verknald met een vennootschapsbelasting van 40,17 procent. Als potentiële investeerders in de VS me vroegen: 'What is your corporate tax rate?' en ik zei '40,17 procent', dan liepen ze naar buiten. Dan moest ik hen terug binnen trekken en zeggen: 'Het is eigenlijk veel minder, want je kan dit aftrekken, en dit, en dit.' Veel te complex. Die mannen luisterden niet meer.'

'En tot slot: de Ieren kozen hun doel. Ik was met hen eind jaren tachtig in competitie om Intel naar hier te halen. Wij wisten aan onze universiteiten iets af van halfgeleiders, in Ierland wisten ze nog niet hoe ze het woord chip moesten spellen, maar waar staat de fabriek van Intel? In Ierland. Ondertussen staat er een tweede en een derde. Ze wisten wat ze moesten hebben en ze gingen ervoor. In België lopen we achter alles tegelijk aan. Neem nu die handelsmissies. Eerst moeten we allemaal naar India, dan naar China en dan gaat het richting Zuid-Afrika. 'To do what?' Achter wat gingen we aan? Ik weet het niet.'

De Ieren hebben hun Irish Development Authority. Wij hebben Flanders Investment and Trade (FIT).

Hinoul: 'Een fantastisch instrument, maar als je het onderfinanciert en onderbemant, dan heb je maar een half instrument. We zijn toch een exportland? We hebben toch buitenlandse investeringen nodig? En onze innovatie is goed. Dus misschien moeten we een deel van ons innovatiebudget gebruiken om de slagkracht van FIT te verhogen. Als exporteren en investeren een prioriteit is voor Leterme, dan moet hij daar eens durven een ministerraad aan wijden.'

Over naar het Finse model. De Ieren trokken investeringen aan, de Finnen investeerden zelf in onderzoek en ontwikkeling.

Hinoul: 'Toen de voormalige Sovjetunie implodeerde, stortte ook de afzetmarkt van de Finnen ineen. De Finnen hebben gezegd: ofwel gaan we hier tenonder, ofwel maken we een kolossale move naar de kenniseconomie. Ze hebben het laatste gedaan. En met succes. Hun economische groei ligt rond 5 procent. En kom niet zeggen dat dat alleen aan Nokia ligt. In andere sectoren, zoals medische technologie, mechatronica en opto-elektronica, hebben de Finnen fantastische bedrijven. De Finnen spenderen al vele jaren 3,5 procent van hun BBP aan onderzoek en ontwikkeling. Europa droomt van 3 procent in 2010.'

Investeert Vlaanderen op een goede manier in innovatie?

Hinoul: 'Ik vrees dat we onze middelen te versnipperd inzetten. We hebben niet het geld en het talent om alles te doen. Vlamingen staan klaar om in de VS aan de slag te gaan bij Google of Intel, maar niet omgekeerd. We hebben een paar instituten van topkwaliteit zoals IMEC (micro-electronica) en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie.'

'Maar zelfs in die twee sectoren stoten we op een probleem. IMEC creëert heel wat spin-offbedrijfjes. Ze doen onderzoek dat drie tot vijf jaar voorloopt op de industrie. Fantastisch. Maar in een nichesector op de markt komen, kost geld. En dan kijk ik naar de banken en zeg ik: jullie volgen niet. Het Europese durfkapitaal en de Europese beurzen schieten tekort.'

'Ik geef altijd het voorbeeld van Google. Het algoritme waarop die zoekmachine werkt, kunnen wij in Leuven ook schrijven. Dat kunnen ze trouwens ook in Parijs of in Grenoble. Twee jonge gasten, Larry Page en Sergey Brin, hebben het algoritme geschreven in Stanford. Maar dan hebben ze voldoende geld gevonden - honderden miljoenen dollars - om het te ontwikkelen. Dan wilden ze verder groeien en zijn ze naar de Nasdaq gegaan, waar ze 2 miljard dollar ophaalden. Europa heeft nog altijd geen technologiebeurs.'

Maakt het een verschil of je nu naar Euronext trekt of naar een technologiebeurs?

Hinoul: 'De Nasdaq telt 3.300 ondernemingen. De crème de la crème van de technologiesector zit daar. Die glamour trekt aan, stimuleert. Wij Europeanen hebben dat niet. Amazon.com kwam en wij, Europeanen, zeiden: 'Wie gaat er nu zijn boeken on line kopen?' eBay kwam en wij, Europeanen, zeiden: 'Wie gaat er nu zijn auto on line verkopen? Google kwam en wij, Europeanen, zeiden: 'Wie gaat er nu op dat ding gaan kijken?' Dus wij blijven afwachten. De Amerikaan gaat, bereidt die markt voor, is plots vertrokken en we halen hem nooit meer in. IMEC spendeert een kleine 200 miljoen euro aan onderzoek naar halfgeleiders. Een bedrijf als Intel in zijn eentje 3 miljard dollar.'

'Wij doen in Vlaanderen soms het beste onderzoek ter wereld. Dan kiezen we voor een spin-off en we geven het bedrijfje wat durfkapitaal, net genoeg om een jaar gelukkig te zijn. Daarna moet die manager de helft van zijn tijd gebruiken om nieuwe investeerders te vinden, terwijl hij met zijn technologie moet bezig zijn. En als hij dan toch naar de beurs gaat - en ocharme, hoeveel keer gaan we? - dan halen we niet genoeg op om tot een wereldbedrijf te kunnen groeien.'

'Een laatste voorbeeld: Tibotec-Virco uit Mechelen, een spin-off van Janssens Farmaceutica. Ze werkten op een medicijn tegen HIV. Ze liepen financieel vast en zijn verkocht aan Johnson & Johnson. De Belgische financiële wereld moet nu toch iets hebben van 'verdomd, waarom hebben we daar geen farmaceutisch bedrijf van gemaakt?' Want je gaat me nu toch niet vertellen dat HIV is opgelost?'

In 'De Vlaamse werf' vraagt De Tijd deze week zes experts naar hun mening over de knelpunten in de Vlaamse economie. Morgen: Jan Denys, arbeidsmarkt-deskundige bij Randstad

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud