'Mislukking Europese banklicentie roept om nieuw toezicht'

(tijd) - De Europese banklicentie is een mythe. De in 1989 ingevoerde licentie stelt banken in staat buitenlandse kantoren op te richten onder het toezicht van hun thuisland. Dit moet de integratie van de Europese bankenmarkt bevorderen. In de praktijk blijken banken echter vaak te kiezen voor de complexe structuur met buitenlandse bankdochters onder lokaal toezicht. Omdat dit een permanent fenomeen is, is een aanpassing van het financiële toezicht hoognodig, meent professor Jean Dermine van INSEAD.

Dermine was een van de sprekers op het tweejaarlijkse congres van de Europese Centrale Bank (ECB), dat eind vorige week in Frankfurt plaatsvond. Het is de tweede keer dat de ECB het congres organiseert. Het onderwerp van deze jaargang was 'de transformatie van het Europese financiële systeem'.

Dermine onderwierp de integratie van de Europese bankensector aan een kritische analyse. Een eerste vaststelling is dat de gedachte van de Europese eengemaakte markt tot heel wat deregulering in de financiële sector heeft geleid.

Het valt ook niet te ontkennen dat de Europese banksector een belangrijk aantal fusies en overnames kende. Het aantal kredietinstellingen in de Europese Unie viel tussen 1985 en 1997 terug van 12.256 tot 9.285. Het merendeel van de transacties voltrok zich wel binnen de grenzen van het eigen land en het eigen metier. Het aantal grote grensoverschrijdende transacties bleef zeer beperkt.

Om het niveau van de Europese integratie van de bankenmarkt te bepalen, maakt Dermine een onderscheid tussen de retailmarkt, die de financiële dienstverlening aan particulieren en KMO's omvat, en de markt voor grote bedrijven en overheden, de zakenbankactiveiten zeg maar.

Een belangrijke vaststelling is dat de retailmarkt in tegenstelling tot het zakenbankieren de voorbije 20 jaar heel gefragmenteerd is gebleven. Dat blijkt uit het feit dat dezelfde diensten of producten niet eenzelfde prijs hebben in de verschillende Europese lidstaten. Een bekend voorbeeld zijn de kosten voor grensoverschrijdende betalingen, waar grote verschillen tussen de landen vastgesteld werden. De Europese Commissie heeft daar recent met een richtlijn paal en perk aan gesteld. De fragmentatie weerspiegelt zich ook in het feit dat het marktaandeel van buitenlandse banken in nationale retailmarkten klein is.

Voor de prijsverschillen zijn enkele structurele redenen aan te halen. Zo is er het gegeven van vertrouwen. Wie al zijn spaargeld in een bank onderbrengt, wil er zeker van zijn dat het in veilige handen is en dat bij eventuele fouten of fraude gemakkelijk verhaal kan worden gehaald. Nabijheid van de bank en kennis van de nationale regelgeving leiden daarom tot een voorkeur voor lokale banken, wat standaardisering en dus prijsconcurrentie in de weg staat.

Klanten kopen ook vaak pakketten van financiële diensten van hun bank. De 'wet van één prijs' kan dan wel gelden voor het pakket als geheel, maar niet voor de individuele producten. Voorts geldt voor kredietverlening steeds het probleem van asymmetrische informatie, waarbij de kredietnemer meer weet dan de bankier. Lokale marktkennis helpt vaak om die informatie-asymmetrie te verminderen.

Ten slotte staan transportkosten en regelgevende barrières traditioneel een uniforme prijs in de weg. De vooruitgang in de informatietechnologie heeft het probleem van de transportkosten wel verkleind, maar de andere factoren blijven gelden en zorgen zo voor hoge overstapkosten voor de bankklant. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom het pure internetbankieren zo'n kleine concurrentiële impact heeft op het traditionele bankieren.

In een poging deze overblijvende hinderpalen voor een geïntegreerde bankenmarkt te slopen, lanceerde Europa een reeks wetgevende initiatieven. Concreet kwam er een Europese banklicentie, één toezicht door het thuisland van de bank, een systeem van depositogarantie waarbij het thuisland al de deposito's verzekert die de bank in de Europese Unie verzamelt, en geharmoniseerde faillissementsprocedures. Dit alles werd in 1989 ingevoerd via de 'Second Banking Directive'. De filosofie achter de richtlijn is dat alle kredietinstellingen die in een EU-lidstaat erkend zijn, zonder bijkomende toestemming buitenlandse kantoren mogen opzetten of grensoverschrijdende diensten mogen aanbieden in andere lidstaten. Het doel is voor banken de kosten van de regelgeving te verlagen, de toetreding tot buitenlandse markten te vergemakkelijken, de concurrentie op te drijven en de wettelijke afhandeling van een faillissement van een internationale bank vlotter te laten verlopen.

Het Europese paspoort en de bijhorende voordelen gelden voor banken die in andere lidstaten actief zijn via buitenlandse kantoren (branches) die tot dezelfde bedrijfsstructuur behoren. De toezichthouder van het thuisland is verantwoordelijk voor deze buitenlandse kantoren.

Dermine komt tot de opmerkelijke vaststelling dat heel wat pan-Europese banken niet met branches werken, maar een holdingstructuur met lokale bankdochters (subsidiaries) opzetten. Deze dochters worden door het 'gastland' als lokale banken beschouwd en vallen dus onder het toezicht van de plaatselijke autoriteiten.

Eind de jaren 90 waren Europese banken in 450 gevallen met branches aanwezig in een andere EU-lidstaat, en 363 maal met lokale dochters. Belangrijker is dat alle grensoverschrijdende fusies van enige omvang de holdingstructuur gebruiken.

'Dat is een verrassend resultaat, want je verwacht dat banken die voor de Europese licentie en dus branches kiezen, lagere kosten hebben. Is de Europese banklicentie dan een illusie? Een belangrijke voorwaarde voor de integratie van de Europese bankenmarkt lijkt in ieder geval niet vervuld', zegt Dermine.

Antwoorden op de vraag waarom banken voor lokale bankdochters kiezen, zocht de professor in de academische literatuur en in interviews met het Scandinavische Nordea en de Nederlandse BBL-moeder ING. Nordea en ING zijn grote financiële groepen die in belangrijke mate buiten de eigen grenzen actief zijn, en dit vooral via een holdingstructuur.

Een eerste reeks argumenten heeft een tijdelijk karakter. Ze zullen na verloop van tijd vanzelf verdwijnen. Een eerste reden om bij een fusie of overname voor het behoud van een lokale dochter te kiezen, is om in de beginfase het bedrijf zijn gang te laten gaan en het merk te behouden. 'Business as usual' dus. Een andere reden is de weerstand van het lokale management tegen de overname breken met de geruststelling dat sleutelfuncties niet zullen verhuizen. Aandeelhouders kunnen met een lokale beursnotering overtuigd worden, en ook regeringen gaan sneller akkoord met de overname indien ze de belofte krijgen dat 'hun' bank lokaal aanwezig blijft.

Andere argumenten zijn meer permanent van aard. Bedrijfsbelastingen zijn volgens Dermine misschien wel het belangrijkste probleem. Lokale bankdochters zijn vanuit internationaal belastingsstandpunt vaak flexibeler dan buitenlandse kantoren. Zo kunnen belastbare kapitaalwinsten gemakkelijker vermeden worden in subsidiaries dan in branches.

Nog een reden om lokale dochters te verkiezen is dat deze structuur toelaat risico's te isoleren in bepaalde entiteiten, wat de kostprijs van schuldfinanciering verlaagt. Een lokale dochter kan ook gemakkelijker verkocht worden. Ten slotte kan een bank met subsidiaries profiteren van het depositogarantiestelsel in alle landen waar ze aanwezig is.

Volgens Dermine moet er op belastingvlak nog heel wat veranderen in Europa om tot een eengemaakte bankenmarkt te komen. Ook andere barrières, zoals verschillen in de wet op de consumentenbescherming, moeten weggewerkt worden. 'Toch zullen er altijd economische argumenten blijven om voor subsidiaries te kiezen. We zullen dus moeten leren leven met een toekomst waarin banken met een mix van branches en subsidiaries werken', aldus Dermine.

Deze organisatiestructuur van de banken heeft belangrijke gevolgen voor de stabiliteit van het financieel systeem. De huidige Europese toezichtsstructuren zijn daar in ieder geval niet op afgestemd, meent Dermine.

Een eerste probleem is dat de complexe bankstructuur, met bankdochters die onderworpen zijn aan verschillende faillissementsprocedures, het toezicht bemoeilijkt. De vereffening van een failliete internationale bankgroep zou complex en risicovol zijn. Die complexiteit kan er zelfs voor zorgen dat het zeer moeilijk wordt een dergelijke groep over de kop te laten gaan (too-complex-to-fail). De onzekerheid omtrent de kosten van een faillissement zou immers groot zijn, waardoor de overheid in de verleiding kan komen om de bank te redden via een nationalisering.

Een ander gevolg van de organisatiestructuur met subsidiaries is dat de lokale bankdochters een groter risico op insolvabiliteit lopen dan vroeger. Op holdingniveau is de bankgroep vaak goed gediversifieerd, maar de lokale focus van de dochters maakt deze soms meer kwetsbaar in vergelijking met de vroegere onafhankelijke positie.

Een laatste lacune in het huidige Europese toezicht is dat belangenconflicten tussen landen over de beslissing om een bank te sluiten zeker niet ondenkbaar zijn. Ook de verdeling van de kosten tussen de verschillende landen waar een bank met lokale dochters actief is, kan voor serieuze problemen zorgen. Deze belangenconflicten zouden zelfs de uitwisseling van informatie tussen de verschillende nationale toezichthouders kunnen beperken.

Dermine meent dat het principe van toezicht door het thuisland aangevuld moet worden met een beperkte controle door het gastland, zolang het gastland de kosten van een redding moet dragen. De professor geeft het voorbeeld van een Nederlandse bank die overgenomen wordt door een buitenlandse groep en vervolgens als branch beschouwd wordt. De Nederlandse schatkist zou gedwongen kunnen worden de bank te redden om de stabiliteit van het eigen financiële systeem te vrijwaren, terwijl Nederland geen toezicht mag uitoefenen.

Omdat het faillissement van een grote internationale bank verschillende landen kan treffen, zou de beslissing om een bank te redden naar het Europese niveau moeten verhuizen of minstens via een gecoördineerde aanpak tussen de landen moeten gebeuren, aldus Dermine. Hij stelt voor dat een gemeenschappelijke vergadering van de ministers van Financiën en de ECB de beslissing neemt. De betrokkenheid van de ministers van Financiën is een logisch gevolg van het feit dat de redding van banken met belastinggeld van de burgers gebeurt.

Dermine stipt ten slotte aan dat de kostprijs om een bank te nationaliseren de voorbije jaren steeds hoger is geworden. Dat komt omdat de banken als gevolg van binnenlandse fusies heel wat groter zijn geworden. De verhouding van de boekhoudkundige waarde van het aandelenkapitaal van een bank tot het Bruto Binnenlands Product (BNP) is vooral in kleine landen als Zwitserland en België groot. Voor het Zwitserse UBS bedraagt deze ratio 12,4 procent. Voor KBC 2,9 procent. Ter vergelijking: het Amerikaanse Citigroup, de grootste bank ter wereld, heeft een ratio van slechts 0,75 procent.

êKris VAN HAMME

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud