Het extra geld voor verpleegkundigen is hen gegund. Nu Vlaanderen nog. En daarna graag een strakker kerntakendebat over wat de overheid niet moet doen, zodat we het ook kunnen betalen.

Het gebeurt niet vaak dat zelfs de vakbonden van een historisch akkoord spreken, maar dat is wat dinsdag gebeurde met het sociaal akkoord in de zorgsector. Na het applaus dat de bevolking hen wekenlang gaf in het diepst van de coronacrisis, volgt nu ook opslag voor de verpleegkundigen. Het is hen gegund.

Nog belangrijker is dat daardoor het beroep aantrekkelijker wordt en er ook extra geld gaat naar opleiding en aanwervingen. Dat doet ertoe. Want vanop meer afstand bekeken is het grootste probleem in de ziekenhuizen niet de salarissen van het zorgpersoneel, maar dat er te weinig ‘handen aan het bed’ zijn. Dat creëert meer risico’s voor wie in het ziekenhuis belandt.

Alleen stopt het daarmee niet. Twee dingen moeten nu gebeuren. Het eerste is een alomvattende hervorming van de gezondheidssector, die versnipperd is over de vele regeringen die ons land telt. Het echte probleem van de te lage verloning heerst in de rust- en verzorgingstehuizen die doorheen de jaren halve ziekenhuizen geworden zijn. Zij bleken de zwakke schakel in de coronacrisis.

Als in Vlaanderen geen vervolg op dit sociaal akkoord komt, dreigen de beste zorgkundigen uit de rusthuizen te vertrekken naar de ziekenhuizen en staan we voor een nog groter probleem. Tegelijk moet het extra geld voor de zorg ook de katalysator zijn om grondiger hervormingen door te voeren over meer samenwerking, met helder omschreven opdrachten en een correctere ziekenhuisfinanciering. Dat moet het mogelijk maken ook geld te besparen, zonder aan de kwaliteit van de zorg te raken.

Want het punt is natuurlijk dat dit geld kost. Het is niet omdat iemand opslag gegund is, dat het geld er vanzelf komt. We stevenen dit jaar af op een overheidstekort van zowat 50 miljard euro en de komende jaren blijft zonder bijkomende ingrepen daarvan makkelijk de helft hangen. Ook deze extra verloning voor de zorg zal jaarlijks de overheidsuitgaven vergroten.

Dit heeft met andere woorden gevolgen, zeker voor een overheid die al tot over de oren in de schulden zit en vrijwel de hoogste belastingdruk ter wereld heeft, zonder daar altijd de beste dienstverlening voor in ruil te geven. Deze beslissing dwingt daarom tot iets wat we niet gewoon zijn: een kerntakendebat.

Als we een positieve keuze voor de zorg maken, moeten we ook harder uitleggen waarvoor we niet meer kiezen.

Als we een positieve keuze voor de zorg maken, moeten we ook harder uitleggen waarvoor we niet meer kiezen. En dan komen we bij het lange rijtje aan vermijdbare overheidsuitgaven, van de twaalf gratis treintickets tot de feestcheque van 180 euro waarmee je op 11 juli lokale hapjes en drankjes mag kopen.

Na een crisis rijst de vraag hoe we onze weerbaarheid kunnen vergroten. Voor de overheid vertaalt die vraag zich in hoe ze de veiligheid van de bevolking kan vergroten, zowel fysiek, medisch als qua inkomen. Daarom is de opslag voor de zorg terecht. Maar net omdat dat een positieve keuze is, moeten we ook durven na te denken over wat we beter schrappen. Niet omdat die uitgaven niet sympathiek zouden zijn, maar omdat we er nu eenmaal aan herinnerd zijn waar onze prioriteiten liggen.

Lees verder

Gesponsorde inhoud