Naar Lissabon

De Europese leiders die in 2000 in het Portugese Lissabon de nog steeds niet gehaalde innovatiedoelstellingen vastlegden. ©EPA

De gaten in onze begrotingen tonen dat we doorgaans niet aan de toekomst denken. De Vlaamse investeringen tonen dat we het nochtans kunnen.

De krachtigste kenniseconomie ter wereld creëren. Dat was de ambitie toen de staatshoofden en de regeringsleiders van de EU-landen in 2000 in Portugal bijeenkwamen voor wat de Lissabonstrategie zou worden. Voortaan zouden hun overheden en bedrijven jaarlijks 3 procent van het bruto binnenlands product in onderzoek en ontwikkeling investeren, zodat Europa de concurrentie met Silicon Valley zou aankunnen.

Niemand haalde in 2010 die 3 procent, waarna de EU de Lissabondoelstellingen liet vervellen tot de EU-2020-strategie. Met nog enkele jaren te gaan blijkt nu dat Vlaanderen als een van de weinige regio’s op weg is om dit keer dicht bij het doel te raken. Data voor 2016 leren dat de Vlaamse bedrijven en hun overheid voor 2,7 procent van het bruto regionaal product in onderzoek investeerden. Dat is nog geen 3 procent, maar het is beter dan elders in de EU.

De vraag is waarom het zo lang duurde en waarom het zo moeilijk is. Een deel van het antwoord is wellicht dat we ons vergissen in de ware motivatie achter technologische vernieuwing. Ze heeft veel minder te maken met grote economische overheidsplannen, dan wel met angst.

Innovatie blijkt om te beginnen het best te gedijen in landen waar de overheid veel investeert in het leger, zoals in de VS of Israël. De computer was een militaire uitvinding, net als het internet of de gps. Anders gesteld: zonder het Defence Advanced Research Projects Agency (DARPA), de immense researchpoot van het Pentagon, zou Apple niet zijn wat het is. Ook DARPA is een kind van angst. De VS richtten het agentschap in 1958 op nadat de Russen hun eerste Spoetnik hadden gelanceerd.

Een tweede plek waar de angst terug te vinden is, is bij de bedrijven zelf. Zelfs als je niet weet welke activiteit een bedrijf heeft, kan je het uit de resultatenrekening vaak afleiden. Als het om IT gaat, of om andere producten die binnen drie tot vijf jaar compleet verouderd zijn, investeert het bedrijf immens veel in innovatie. Om de simpele reden dat het moet. Anders dreigt de onderneming over vijf jaar niet meer te bestaan.

De ambitie van de EU was innovatie te stimuleren zonder op die angstcultuur in te zetten, en zonder ze te bouwen op een militair budget dat de vergelijking met de VS kan doorstaan. Dat maakt de oefening moeilijker maar waardevoller. Dat Vlaanderen dicht bij het doel van 3 procent is, is daarom goed nieuws.

Zal die 2,7 procent genoeg zijn? Niemand die het weet. Wetenschappelijk onderzoek is nu eenmaal een ontdekkingstocht waarbij je niet weet wat je zal vinden. Dat is ook de waarde ervan: de succesvolste economieën omarmen een cultuur van trial-and-error. De meeste uitvindingen van Thomas Edison werkten niet, maar de enkele die het wel deden, maakten het verschil. Dat Vlaanderen 2,7 procent van het bruto binnenlands product in onderzoek en innovatie investeert, betekent daarom niet dat we hebben gewonnen. Wel dat we proberen, dat we willen meespelen.

Het hardnekkige gat in zowel de Vlaamse als de federale begroting toont dat we in dit land al jaren niet zo goed zijn in toekomstdenken. De investeringen in onderzoek en innovatie zijn in dat verband een welgekomen verandering van toonaard. Ze toont dat we het wel nog kunnen: investeren in de toekomst, hoe onzeker die zich ook aankondigt.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content