Als carnavalisten echt gezag willen uitdagen, spotten ze niet met Joden maar met de Unesco. Doen ze dat niet, dan is ook niemand verplicht het grappig te vinden.

En plots is carnaval politiek geworden. Onder het vergrootglas van de wereldpers gaat dit weekend in Aalst de 92ste carnavalstoet uit. Het klassieke volksfeest is een publieke test geworden over waar de grens van spot en satire ligt. 

De ironie wil dat het feest waar gezag wordt uitgedaagd net in de problemen kwam omdat het zelf informeel gezag kreeg. Tien jaar geleden werd Aalst Carnaval door de Unesco, de cultuurorganisatie van de Verenigde Naties, uitgeroepen tot werelderfgoed. Net die eretitel plaatste het lokale volksfeest in een andere context: spotbeelden waar in Aalst niemand aanstoot aan nam - er zijn brutalere dingen te zien en te horen - veroorzaakten bij de Unesco en in Israël wel controverse. 

Het klassieke volksfeest is een publieke test geworden over waar de grens van spot en satire ligt.

Is dit een uit de hand gelopen intentieproces? De rel begon met een carnavalsgroep die een besparingsjaar door moest, een oude pop recycleerde en met zichzelf spotte door die pop als een gierige Jood aan te kleden. Je kan dat een te makkelijk stereotype vinden, een vorm van lompe humor en niet eens grappig, maar het is moeilijk om daar een intentioneel gebaar van antisemitisme in te zien.

In de diplomatieke context van een internationale organisatie als de Unesco bleek een en ander wel gevoelig te liggen. Het eindigde ermee dat de Unesco-titel verdwenen is en de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken deze week opriep de stoet te verbieden. Beetje bij beetje is de discussie, ook in België, uitgegroeid tot een debat over waar de grenzen van de vrije meningsuiting en het Belgische samenlevingsmodel liggen.

Onvermijdelijke prijs

De kwestie is belangrijk geworden, al is het maar omdat een belangrijke bevolkingsgroep zich gekwetst voelt door de stereotypen over haar. Ze heeft daar gezien haar geschiedenis alle reden toe. In die zin moeten de bezwaren van de Joodse gemeenschap ernstig worden genomen.

Beetje bij beetje is deze discussie over carnaval uitgegroeid tot een debat over waar de grenzen van vrije meningsuiting en het Belgische samenlevingsmodel liggen.

Maar ook de vrijheid van meningsuiting is cruciaal. Vijf jaar geleden waren we allemaal nog 'Charlie', na de aanslagen op de redactie van het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Toen luidde het dat er geen grenzen waren aan de vrijheid om te spotten. Niet omdat die spot niemand zou kwetsen, maar omdat die grenzen nog meer schade toebrengen. Die schade bestaat er dan in dat de overheid de controle verwerft over wat kan worden gezegd. Net dat maakt het recht op vrije meningsuiting zo breed. En net dat maakt dat ook meningen worden beschermd die in geen enkel opzicht emancipatorisch lijken. Het is de onvermijdelijke prijs die een samenleving betaalt.

De overheid kan hier daarom niet veel doen, tenzij wat moreel leiderschap tonen door in haar beleid en publieke toespraken bijvoorbeeld de strijd tegen antisemitisme te benadrukken. En als de carnavalisten echt het gezag willen uitdagen, dan lachen ze niet met de Joden maar met de Unesco. Doen ze dat niet, dan is dat hun goed recht, maar is ook niemand verplicht het grappig te vinden.

Lees verder

Gesponsorde inhoud