Redacteur Politiek

De opstand van de Poolse en Hongaarse regering bevat alle ingrediënten om de Europese Unie terug te slingeren naar het rampzalige crisistijdperk van enkele jaren geleden. Al loopt er een smal pad waarlangs een escalatie kan worden vermeden.

Zelfs met december in zicht lijkt er maar geen einde te komen aan het annus horribilis 2020. Met een tweede golf van het coronavirus die maar nipt onder controle blijft, een 2021 dat zich als een economisch almaar magerder jaar aandient, een brexit die nog altijd niet geregeld is en een trumpisme dat allesbehalve een anekdote in de geschiedenis blijkt, glijdt nu ook de Europese Unie na enkele vrij rustige jaren in sneltempo naar een crisis af.

Donderdag proberen de staatshoofden en regeringsleiders op een Europese top via hun Zoom-verbinding een uitweg te zoeken uit een conflict dat deze week met een knal is opengebarsten. Polen en Hongarije stellen een veto tegen de Europese begroting en het bijbehorende historische stimuluspakket. Ze gebruiken hun vetorecht tegen de nieuwe belastingen die in het pakket zitten. Maar het is ze om iets anders te doen: de strakkere naleving van het respect voor de rechtsstaat.

Het pijnlijke is dat dat een bruuske breuk is met de voorbije jaren. De Europese Unie liet zich niet uit elkaar spelen in de brexitgesprekken. Ze reageerde onder het leiderschap van Duitsland en de Europese Centrale Bank snel op de coronacrisis. Het stimuluspakket moest die eensgezinde aanpak bezegelen. Het was een welgekomen afwisseling met de paniek van de eurocrisis, de schok van de brexit en de piek van de migratiecrisis.

Dat nu toch opstand uitbreekt, doet dat beeld in duigen vallen. Het toont dat een externe vijand - de coronapandemie - niet langer volstaat om de Europese rangen gesloten te houden. De oude demonen lijken weer te ontwaken. In het geval van Polen en Hongarije zijn dat het met de voeten treden van de rechtsstaat en het migratiebeleid.

Wat deze week is losgebarsten, is ernstig. Het is een aanval van binnenuit op de waarden waarop de Europese Unie na de Tweede Wereldoorlog is gebouwd.

Wat deze week is losgebarsten, is ernstig. Het is een aanval van binnenuit op de waarden waarop de Europese Unie na de Tweede Wereldoorlog is gebouwd. Het is een lastig gevecht, omdat de Hongaarse en Poolse regering de meerderheid van hun bevolking achter zich hebben. Op dat punt hebben ze het democratische spel correct gespeeld.

Op een ander, even cruciaal punt schieten ze echter te kort. Democratie is niet alleen de wil van de meerderheid, maar ook een systeem waarin de ene macht de andere kan behoeden voor excessen. Het is terecht dat Boedapest en Warschau daarom worden aangesproken op hun greep op de pers, het gerecht en andere instellingen. De andere EU-landen en de Europese Commissie mogen op dat punt niet zomaar toegeven.

Op die manier doet de opstand van de Poolse en Hongaarse regering denken aan de opstand van de Griekse regering in de eurocrisis. Ook die beriep zich op haar nationale soevereiniteit en op de meerderheid van haar bevolking om de spelregels aan te vallen die met de rest van de Europese Unie afgesproken waren.

Het nieuwe conflict heeft alle ingrediënten om uit te groeien tot de extra kopzorg die we kunnen missen. Op één punt hebben de Hongaren en de Polen wel gelijk. Het compromis over het afdwingen van het respect voor de rechtsstaat is zeer vaag opgesteld en laat veel ruimte voor politieke gevechten. Zoiets gevoeligs zou strakker omschreven moeten worden, zodat een objectieve beoordeling mogelijk wordt.

Het is politiek lastig, want alles is al eens tot in den treure besproken. Maar misschien ligt daar het smalle pad naar een uitweg, zodat 2020 niet moet eindigen met een extra ramp.

Lees verder

Gesponsorde inhoud