Bart Haeck

Viktor Orbán is woensdag wat opgeschoven naar de plek waar hij als uitdager van de rechtsstaat thuishoort: in de marge van de Europese politiek.

Het gebeurt niet vaak dat het Europees Parlement een beslissing neemt die de financiële markten doet bewegen, maar woensdag gingen de forint en de aandelenbeurs van Boedapest lager nadat in Straatsburg werd gestemd over de Hongaarse premier Viktor Orbán. Met een tweederdemeerderheid stelde het parlement voor dat Orbán zijn stemrecht op Europese toppen kan verliezen, omdat hij de democratie, de onafhankelijke rechtsstaat en de fundamentele rechten in zijn land in gevaar brengt.

Niet dat het meteen zo ver komt. Uiteindelijk beslist niet het Europees Parlement, maar de regeringsleiders en staatshoofden van de andere 27 EU-landen over een tijdelijke verbanning van Hongarije uit de Europese cockpit. Ze moeten dat unaniem doen, waardoor het eveneens balorige Polen Hongarije de hand boven het hoofd kan houden.

Orbán is in zijn strijd tegen de rechtsstaat bondgenoten en legitimiteit kwijtgespeeld.

Toch doet de stemming in het parlement ertoe. Ze geeft een antwoord op de belangrijkste vraag die onderhuids in de EU leeft: waarvoor dient de Unie eigenlijk? Ooit was het antwoord: om oorlog en honger te vermijden. Iedereen snapte dat. Anno 2018 is het antwoord allerminst duidelijk. Dient de EU om het klimaat te redden? Migranten te helpen? De verlichte ideeën van het pluralisme en de rechtsstaat te verspreiden? Heel wat EU-landen in Oost-Europa, aangevoerd door Hongarije en Polen, vinden van niet.

Die strijd verscheurt de EU des te meer omdat Orbán zich met reden beroept op een van de grondwaarden van de EU: democratie. Hij is niet zomaar iemand. Hij werd dit jaar voor de vierde keer premier en sleepte 133 van de 199 zetels in het Hongaars parlement in de wacht. Daardoor ontstaat een dilemma: wat doe je als een politicus van zijn kiezers het mandaat krijgt de rechtsstaat in Europa uit te hollen?

Net daarom is de beslissing van woensdag cruciaal. Die werd niet genomen door Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker of 751 Brusselse bureaucraten, maar door 751 politici uit heel Europa die door de kiezers in hun land rechtstreeks zijn verkozen. En meer dan twee op de drie van hen vonden woensdag dat Orbán te ver gaat. Dat signaal was nodig: een grote democratische meerderheid in de EU staat wel degelijk achter de waarden die Orbán bestrijdt.

Even cruciaal is dat een groot deel van de Europese Volkspartij (EVP), onder wie de CD&V-parlementsleden Tom Vandenkendelaere en Ivo Belet, woensdag tegen de EVP’er Orbán stemden. En dat de Oostenrijkse christendemocraten van kanselier Sebastian Kurz dat ook deden. De EVP is al decennia het politieke powerhouse van de Europese Unie. Als het socialistische blok in het Europees Parlement bij de verkiezingen volgend jaar verschrompelt door het verdwijnen van het Britse Labour en de verwachte nederlaag van de Franse PS, zal de EVP meer dan ooit het centrum van de macht zijn.

De beslissing van het parlement lost niet alles op. Politieke legitimiteit wordt nog altijd lokaal verdiend en in Hongarije verliest de EU dat gevecht. En in de zoektocht naar een werkbaar migratiebeleid liggen de coalities voor en tegen Orbán anders en complexer. Maar in zijn strijd tegen de rechtsstaat is de Hongaarse premier woensdag bondgenoten en Europese legitimiteit kwijtgespeeld. Daardoor staat hij al een beetje dichter bij de plek waar hij thuishoort: in de marge.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content