Partijleden hebben vooral op papier inspraak

(tijd) - De inspraak die de politieke partijen hun leden geven, is vooral inspraak op papier. De partijleiding houdt de touwtjes stevig in handen en stuurt het inspraakproces. Partijleden en -militanten zijn zich doorgaans bewust van de beperktheid van hun inspraak. Dat schrijft Bram Wauters (KU Leuven) in een paper die hij morgen, vrijdag, voorstelt op het Congres van het Politologisch Instituut.

In heel Europa verliezen de politieke partijen leden. In België hadden ze in 1980 samen nog bijna 620.000 leden. 20 jaar later was hun ledenaantal met een kwart gedaald, tot net geen 472.000. Om verder verlies tegen te gaan, hebben de meeste partijen de inspraakmogelijkheden verruimd. Door ze een gevoel van grotere betrokkenheid te geven, hopen ze hun leden sterker aan zich te binden.

In België nam de inspraakverruiming in hoofdzaak vier vormen aan: de rechtstreekse verkiezing van de voorzitter; de toekenning van spreek- en stemrecht op het congres; interne partijreferenda; inspraak bij de samenstelling van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen.

Bram Wauters, assistent aan de Afdeling Politologie van de KU Leuven, las de partijstatuten en ging na hoe het met de werkelijke inspraak is gesteld.

Op Agalev, Spirit en het Vlaams Blok na, laten alle parlementspartijen hun voorzitter door de leden verkiezen. Het Vlaams Blok werkt, naar eigen zeggen, liever van boven naar beneden. Bij Spirit en Agalev wijst een congres waaraan alle leden kunnen deelnemen de voorzitter respectievelijk de politiek secretaris aan. De N-VA zag dit jaar om financiële redenen af van een schriftelijke voorzittersverkiezing: Geert Bourgeois werd in mei tijdens een congres waaraan alle leden konden deelnemen tot voorzitter aangewezen.

Sinds 1970 werden 37 partijvoorzitters rechtstreeks verkozen, stelde Wauters vast. 16 keer (43 procent van de gevallen) was er echter maar één kandidaat en dus geen sprake van een echte keuze en echte inspraak. In de andere gevallen waren er vaak een of meer onbeduidende kandidaten bij, die het moeilijk maken van een echte strijd te spreken. Zo won Karel de Gucht vorig jaar de 'strijd 'om het VLD-voorzitterschap met een verschil van 72 procentpunten van uitdager Christian de Stoop.

Slechts in twee gevallen, zegt Wauters, bedroeg het verschil tussen twee kandidaten minder dan 10 procentpunten: in 1996 bij de PSC in de strijd tussen Charles-Ferdinand Nothomb en Joëlle Milquet (verschil 0,01 procentpunt) en in 2000 in het Volksunie-duel tussen Geert Bourgeois en

Patrik Vankrunkelsven (verschil 7,8 procentpunten).

Interne verkiezingen zijn doorgaans belangrijker voor de uitstraling van de partij dan voor de ledeninspraak, concludeert Wauters. De eigenlijke beslissing valt niet bij de verkiezing door de leden, maar in het selectieproces dat eraan voorafgaat.

Agalev is de enige partij waarvan de leden of de plaatselijke groepen het initiatiefrecht voor een intern referendum hebben. Van dat recht is evenwel nog geen gebruik gemaakt.

Twee partijen, de PSC en de SP/sp.a, hebben op initiatief van de partijleiding een referendum gehouden. Wauters laat het VLD-referendum van 1995 buiten beschouwing omdat het tot alle kiezers en niet enkel tot de partijleden gericht was. Ook het VU-ledenreferendum van 2001 rekent hij niet mee, omdat het meer een verkiezing was over wie de partij mocht voortzetten dan een referendum over een voorstel van de partijtop.

De Franstalige christen-democraten peilden in 1996 aan de hand van tien stellingen naar de wil tot partijvernieuwing. Negen stellingen haalden een bijvalscore tussen 75 en 97 procent. Enkel het voorstel de voorzitter het recht te geven niet-leden op de kieslijsten te plaatsen, kreeg 'maar' 46,9 procent van de stemmen. Dit jaar hield de PSC een referendum over een naamsverandering; 47 procent was voor, 41,9 procent vond het niet nodig. Ondanks de relatieve meerderheid, zette de partijleiding haar plannen door en veranderde de PSC haar naam in cdH.

De SP legde in 1993 20 standpunten aan haar leden ter beoordeling voor. Ze werden allemaal goedgekeurd; de laagste score was nog 65 procent. Maar, zegt Wauters, de partijleiding legde niet-controversiële standpunten aan de leden voor. En door in de vragen eenzijdig gekleurde argumenten op te nemen, stuurde ze de leden al in de 'juiste' richting. Ook in dit geval was het referendum veeleer een bevestiging van de partijleiding dan een inspraakproces waarbij de leden het programma en de standpunten kunnen bepalen.

Voor de inspraak bij de lijstvorming beperkte Wauters zich tot de Vlaamse partijen en de verkiezingen van 1999 voor de Senaat en het Europees Parlement, waarvan de kandidatenlijsten op het centrale niveau worden samengesteld. Vier partijen gaven hun leden inspraak. Bij de VLD waren er voorverkiezingen, bij de CVP een geheime poll. Bij Agalev konden alle deelnemers aan het congres beslissen, bij de SP de gemandateerde congresleden.

Toch hield de partijleiding doorgaans een ruime slag om de arm. Ze stelde een modellijst samen, die de leden enkel moesten goedkeuren. Alleen als een meerderheid de modellijst zou verwerpen, zou naar de score van de kandidaten zelf gekeken worden. Door de modellijst voorafgaandelijk aan de pers voor te stellen, beknotte de partijtop de inspraak van de leden. Bij de CVP besliste het partijbestuur Wilfried Martens niet op de eerste plaats van de Europese lijst te zetten. Bij de VLD schrapte het partijbestuur Leo Goovaerts na een kritisch interview van de kandidatenlijst voor de Senaat.

Echte inspraak was er enkel bij Agalev, zegt Wauters. En dan nog: het congres verwierp de modellijst voor het Europees Parlement, maar een stemming per kandidaat gaf uiteindelijk hetzelfde resultaat. De leden volgden de partijleiding en zetten Patsy Sörensen op de lijst in plaats van Isabel Vertriest.

Een vergelijking van de statuten van het begin van de jaren 80 met die van dit jaar leerde Wauters dat, op het Vlaams Blok na, alle Vlaamse partijen het spreek- en stemrecht op hun congresbijeenkomsten uitgebreid hebben. Bij CD&V, VLD, Agalev, N-VA en Spirit hebben alle leden spreek- en stemrecht, bij de sp.a zijn er nog afgevaardigden per afdeling, maar méér dan 20 jaar geleden.

Toch is de inspraak van de leden waarschijnlijk niet toegenomen, merkt Wauters op, integendeel. Congressen zijn meer open en zichtbare gebeurtenissen dan in het verleden. De partij wil goed voor de dag komen. Dat resulteert in sterk georkestreerde congressen, waarbij de partijleiding erover waakt dat de partij vooral op een positieve en overtuigende manier in het nieuws komt. Grote discussies worden daardoor vaak vermeden.

De partijmilitant is zich bewust van zijn beperkte inspraakmogelijkheden, zegt Wauters. Studenten van de KU Leuven ondervroegen in 1999 bijna 300 militanten. Meer dan de helft zei dat van alle partijgeledingen de leden het minste inspraak hebben. Enkel de Agalev-militanten meenden dat het lokale bestuur minder inspraak heeft dan de leden.

Op een tienpuntenschaal gaven de militanten hun mate van inspraak bij de samenstelling van de lijsten voor de verkiezingen voor de Senaat en het Europees Parlement een cijfer van 1,28 (CVP) tot 4,02 (VLD). Enkel die van Agalev gaven een ruime 7. Anderdeels zei 85 procent van de militanten die ooit al eens naar een congres waren geweest, het gevoel te hebben daar hun mening kwijt te kunnen.

In een ander onderzoek bij een willekeurige steekproef van VLD-leden na de interne verkiezingen van vorig jaar, noemde 85 procent het een goede zaak dat de leden rechtstreeks hun voorzitter en hun partijbestuur kunnen aanwijzen. Toch zei maar 19 procent van hen via die verkiezingen 'heel veel' of 'veel' inspraak te hebben.

Dat partijleden op papier vrij veel, maar in de praktijk weinig of geen inspraak hebben, is niet verwonderlijk, zegt Bram Wauters. Partijleiders willen zoveel mogelijk stemmen halen en kijken daarom in de eerste plaats naar de kiezers, die gematigde standpunten innemen. Partijmilitanten verdedigen veeleer radicale standpunten en strategieën. Sommigen zouden nog liever een verkiezing verliezen dan zware ideologische toegevingen te doen. Als de militanten te veel invloed hebben, kan de partijleiding zich niet zo soepel opstellen als ze zou willen.

Het Congres van het Politologisch Instituut vindt plaats in Leuven en heeft als thema 'Democratie in partijen: realiteit of illusie?'

Inlichtingen: 016-32.32.50.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud