Bart Haeck

Dat politiediensten over almaar meer camerabeelden beschikken, verdient tegengewicht in de bescherming van technologische privacy.

Een slim cameraschild. Zo heet het netwerk van camera’s die sinds enkele jaren via nummerplaatherkenning voertuigen kunnen volgen van Aarlen tot De Panne. Als het van minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) afhangt, wordt dat schild de komende jaren twee tot drie keer zo sterk, en kan het tot 3.000 camera’s tellen.

Het vooruitzicht is zowel angstaanjagend als geruststellend. Ergens is het cameraschild een vriend. Na de aanslagen in Zaventem konden speurders aan de hand van camerabeelden op de openbare weg en privébewakingscamera’s het traject reconstrueren dat Mohamed Abrini de uren na de aanslag aflegde. Het is niet moeilijk in te zien hoe via gelaatsherkenning criminelen beter kunnen worden opgespoord.

Er zijn nog mogelijkheden. De data kunnen - geanonimiseerd - helpen het verkeer beter te monitoren. Ze maken een vorm van ‘sociale fysica’ mogelijk. Waar vroeger menselijk gedrag - bijvoorbeeld in het verkeer - werd bestudeerd via kleinschalige eenmalige experimenten, is er nu een continue datastroom over duizenden mensen die wetenschappelijk onderzoek vooruit kan helpen.

De reden om ongerust te zijn over een cameraschild ligt zowel in de geschiedenis als in de toekomst.

Maar er is ook die andere kant, waarbij een cameraschild - in combinatie met alle andere informatie die de overheid over je heeft - een vijand wordt. De reden om daar ongerust over te zijn ligt zowel in de geschiedenis als in de toekomst. Vier jaar geleden bleek dat de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA onwettig telefoongesprekken over de hele wereld afluisterde, die van de Duitse bondskanselier Angela Merkel inbegrepen. Wie kan garanderen dat zoiets nooit meer gebeurt? Tegelijk gebruiken Chinese politiemensen nu al brillen waarop ze via gelaatsherkenning persoonlijke data kunnen lezen over de mensen naar wie ze kijken. Voeg daar een berg informatie aan toe - of die nu via de overheid, privécamera’s of sociale media komt - en je krijgt een akelige versie van big brother.

Welk van de twee wordt het: vriend of vijand? Het antwoord op de vraag ligt niet bij de ingenieurs of de technici. Het antwoord ligt bij de politiek, die de regels moet vastleggen om de nieuwe technologische mogelijkheden te benutten en niet te laten misbruiken.

In die zin is deze discussie even oud als de mensheid. Ook de oermensen konden hun van hout en steen gemaakte speren gebruiken om te jagen of elkaar aan te vallen. Net zoals de atoomenergie zowel kerncentrales als de atoombom leverde. Het antwoord wat je met technologie doet, is politiek.

In deze gaat het om de balans tussen veiligheid en privacy. De Belgische grondwet bevat die reflex om een evenwicht daartussen te zoeken. Sinds 1830 staat erin dat het briefgeheim onschendbaar is, maar dat bij wet kan worden bepaald dat de politie in bepaalde omstandigheden toch brieven mag openen. De vermelding staat er nog altijd, in artikel 29.

Net het feit dat de grondwet het over dat briefgeheim heeft, toont waar de echte uitdaging ligt: in het verschil in snelheid. Technologie vernieuwt zich razendsnel, terwijl de politiek veel trager reageert. Toch zal daar het evenwicht moeten liggen: zoals een onderzoeksrechter beslist of de politie tegen je wil je huis mag betreden, moet de garantie op privacy van persoonlijke data even krachtig zijn. In die zin gaan de almaar grotere middelen van veiligheidsdiensten best hand in hand met een sneller en efficiënter werkende justitie die ook de technologische privacy en grondrechten van burgers kan bewaken.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content