Bart Haeck

De ongemakkelijke onderliggende vraag in het onderwijsdebat is wie de migrantenkinderen opleidt en wat daar de implicaties van zijn.

Normaal gezien is de eerste schooldag een dag waarop de minister van Onderwijs alle camera’s kaapt, maar maandag ging N-VA-voorzitter Bart De Wever met de aandacht lopen. Op Radio 1 zei hij dat zijn partij na de verkiezingen van mei graag de volgende minister van Onderwijs levert, zodat het katholiek onderwijs wat harder onder druk kan worden gezet om te doen wat het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering wil. Want de lat moet hoger.

De aanval van de N-VA wijkt af van de klassieke patronen in de Belgische politiek. Normaal gezien lopen door ons land drie breuklijnen: een tussen Vlamingen en Franstaligen, een tussen werkgevers en vakbonden en een tussen katholieken en vrijzinnigen. De laatste is het meest op de achtergrond geraakt, maar wie er in het onderwijs of de welzijnssector aan raakt, merkt meestal hoe snel de verdediging nog altijd wordt opgetrokken.

Ons onderwijs moet excelleren aan de top, maar ook het succes van de sociale mobiliteit overdoen.

Hoe moeten we de N-VA-demarche dan plaatsen? Twee argumenten tekenen zich af. Ten eerste vindt de N-VA dat een regering moet kunnen regeren, nadat ze de steun van de kiezer heeft gekregen. Daarom kant ze zich tegen de traditie van het machtige middenveld in Vlaanderen, al kon ze op dit punt de geschiedenis nog niet in de goede plooi leggen.

Ze had de voorbije jaren in de Vlaamse regering de kans de fundamenten van een Vlaamse sociale bescherming te leggen. Die zijn echter gekopieerd van de federale sociale zekerheid, met een grote betrokkenheid van het middenveld. En wat de vakbonden en werkgevers voor de sociale zekerheid zijn, zijn de scholenkoepels voor het onderwijs. Het is een legitieme discussie, maar ze vormt een groot taboe.

Ten tweede is er een oprechte bekommernis dat het Vlaams onderwijs van zijn pluimen verliest. Dat komt des te harder aan omdat na de Tweede Wereldoorlog een generatie van Vlaamse landbouwers- en arbeiderskinderen is groot geworden die in het onderwijs sociale mobiliteit vonden. Dat herhalen voor de groep die het nu het meest nodig heeft, de kinderen van anderstalige migranten, blijkt niet even goed te lukken.

Dààr begint de echt lastige discussie. De OESO, de denktank van de rijke landen, maakte al jaren geleden duidelijk dat ons land bijzonder slecht presteert voor wie in kansarme gezinnen opgroeit. Meer dan 14 jaar geleden zag toenmalig minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (sp.a) het als zijn hoofdopdracht de hoge kwaliteit van het Vlaams onderwijs te verzoenen met gelijke onderwijskansen voor wie in Vlaanderen school loopt.

De vrees leeft nu dat die verzoening mislukt is, of dat beide doelen misschien niet tegelijk te behalen zijn. En dat we dus kwaliteit en ambitie opofferen om iedereen mee te krijgen. Zoals een wielerploeg die trager rijdt zodat iedereen mee kan, maar daardoor niet wint. De vraag is ook wat gebeurt als een school de lat hoog legt. Wat doen we dan met wie niet mee kan? Ook die kinderen leven 50 tot 70 jaar in ons land.

Die laatste vraag toont hoe we tot op zekere hoogte met een vals dilemma worstelen. De kwaliteit aan de top moet beter en ook die onderaan. Als we het succes van het Vlaams onderwijs van de voorbije generaties opnieuw willen, moeten we twee dingen doen: excelleren aan de top en de lat hoog leggen. Maar ook het succes van de sociale mobiliteit, waar we ooit zo goed in waren, overdoen. Want ook daar schieten we tekort.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content