Bart Haeck

Duitsland en Frankrijk dromen van economische reuzen die een gevecht met China aankunnen, maar die de Europese consument dreigen te verpletteren.

Europees commissaris voor Mededinging Margrethe Vestager haalde zich woensdag de woede van de Duitse en Franse regering op de hals door een dikke streep te trekken door de fusie van de treinbouwers Siemens en Alstom. De treinindustrie krijgt daardoor niet het equivalent van wat Airbus is voor de luchtvaart.

Is het een goede beslissing? De vraag is lastig. Want twee terechte ambities botsen met elkaar. Enerzijds dromen Parijs en Berlijn van een Europese gigant in de treinbouw, die de concurrentie met China aankan. Dit is het verhaal van de grote vriendelijke reus, die de Europese industrie op de wereldkaart zet.

Anderzijds leeft de vrees dat zo’n gigant de Europese markt volledig naar zijn hand zal zetten, met kunstmatig hoge prijzen voor alle overheden die de komende jaren in treinen willen investeren. Dit is het verhaal van de kwade reuzen, die hun sterkte gebruiken om het eigenbelang na te streven.

Dat Vestager de tweede overweging ter harte neemt, is logisch. Het is haar taak als lid van de Europese Commissie om de Europese verdragen correct uit te voeren. En daar staat niets in over de ambitie om wereldkampioenen te kweken, wel over het gevaar dat de Europese markt wordt kapotgemaakt door monopolisten. De Duitse regering reageerde daarom gisteren dat ze die regels graag wil herbekijken.

Het is een aantrekkelijk, maar gevaarlijk idee. De vraag van waaruit de discussie moet vertrekken, luidt namelijk: waarvoor dienen grote bedrijven? Het belangrijkste antwoord: omdat ze de belangen van de consument dienen. Dat is de ultieme bestaansreden van multinationals: ze maken goederen en diensten voor ons die anderen niet met die prijs-kwaliteitverhouding kunnen maken. Uiteraard is dat makkelijker voor wie groot is, omdat dan schaalvoordelen spelen.

Maar minstens even belangrijk is dat bedrijven constant met de vrees leven dat ze hun klanten verliezen als hun concurrenten plots betere producten maken. Dat idee is een van de steunpilaren waarop de Europese economie groot is geworden. Er is een grote, eengemaakte markt, zonder binnengrenzen en met een waakhond die te dominante monopolisten de pas afsnijdt. En waarin dan de beste mag winnen.

Dat idee is nog altijd de moeite waard om verdedigd te worden, omdat het de burger en consument centraal stelt. Of anders gesteld: het is een gevaarlijk pad om het Chinese staatskapitalisme te bekampen met een Frans-Duits monopoliekapitalisme, waarvan alle Europese burgers vervolgens de extra kosten moeten betalen.

De Alstom-Siemens-zaak leert echter dat er een schaduwzijde is: misschien zijn we binnen tien jaar bijzonder afhankelijk van China als we - bijvoorbeeld als onderdeel van een klimaatplan - willen investeren in treinen. De uitdaging wordt om die schaduwkant te verlichten. Dat kan via investeringen in onderzoek en ontwikkeling, en via regels over kwaliteit, ecologie en nationale veiligheid die voor iedereen gelden die in de EU zaken doet, ook de Chinezen. Dat dan opnieuw de beste mag winnen.

Lees verder

Tijd Connect