Advertentie

Vier oliecrisissen, vier recessies

(tijd) - Sinds maart 2003 is de olieprijs verdubbeld. In de voorbije 35 jaar zijn er vijf dergelijke piekmomenten geweest. Op elke oliecrisis volgde een recessie, maar de hoge olieprijs was er niet altijd de oorzaak van. Vandaag waarschuwen enkele economen voor een nieuwe globale recessie in 2005 als de olieprijs niet snel onder 50 dollar per vat duikt.

Er bestaan geen precieze definities voor termen zoals oliecrisis of olieschok. Sommigen economen spreken van een olieschok wanneer de werelddagproductie plots met vier miljoen vaten daalt. Met deze vuistregel kunnen we drie duidelijke periodes afbakenen: 1973-1974, 1979-1981 en 1990-1991.

Op 16 oktober 1973 was het oplaaien van het Arabisch-Israëlische conflict de aanleiding voor de eerste olieschok. De leden van de Organisatie van Olie-Exporterende Landen (OPEC) besloten eenzijdig een prijsverhoging door te voeren. Bovendien werd er een olie-embargo afgekondigd tegen Nederland en de VS wegens hun 'pro-Israëlische' houding. Maar ook in de zogenaamde neutrale landen zoals België daalden de leveringen in drie maanden met 30 procent. Begin 1974 noteerde de olieprijs al 300 procent hoger op 11,75 dollar per vat. Het algemene prijzenpeil verzeilde in een opwaartse spiraal wegens de indexering van de lonen. De centrale banken, met uitzondering van de Bundesbank, lieten de inflatie welig tieren, terwijl de regeringen autoloze zondagen invoerden. Pankiekreacties stuurden de olieprijs nog hoger.

De impact op de wereldeconomie was pijnlijk omdat die erg afhankelijk was van olie. Tussen 1961 en 1971 was de olieconsumptie in West-Europa met 63 procent gestegen. De bedrijfswereld kampte met grote onzekerheid en zette tal van investeringsprojecten stop. De wereld stortte zich in een recessie, en maakte willens nillens kennis met een nieuw begrip: 'stagflatie'. Dat is het samengaan van een scherpe groeivertraging of recessie met een snel stijgend prijzenpeil. Vanaf 1975 daalt de olievraag wegens de recessie en een energiezuiniger verbruik van de gezinnen.

In 1978 volgde de tweede olieschok. Door de omverwerping van het Sjah-regime viel het Iraanse aandeel in de OPEC-export van de ene op de andere dag weg. Saudi-Arabië, Irak en Koeweit voerden hun aandeel op, maar dat verhinderde niet dat het wereldaanbod met 7 procent verminderde. Een strenge winter in de VS en Europa hielp de olieprijs nog hoger. In 1981 viel vanuit Irak en Iran de olie-uitvoer weg, omdat die landen in een oorlog verwikkeld geraakten. Eind 1981 bedroeg de olieprijs 34 dollar, 160 procent meer dan begin 1978. Deze prijs is de hoogste uit de geschiedenis, als we rekening houden met de toen geldende koopkracht (zie grafiek). Vandaag moet de olieprijs nog met 30 dollar (+60%!) stijgen om hetzelfde effect voor gezinnen en bedrijven te krijgen.

Hoewel de reële olieprijs in 1981 dubbel zo hoog lag als in 1973, was de impact van deze tweede olieschok op de economie kleiner. De economie was minder olie-intensief, de indexering van de lonen bestond in vele landen niet meer, de Amerikaanse centrale bank bekampte deze keer wel de inflatie en de Amerikaanse dollar was tegenover de Belgische frank een kwart goedkoper. De Belgische regering voerde in 1981 de Maribel-regeling in om de bedrijven te steunen. Maar een recessie kon opnieuw niet vermeden worden. De som van de werkloosheid en de inflatie steeg in België van 14,9 procent in 1978 tot 25 procent in 1982.

De rest van de jaren 80 verliep vrij rustig op de oliemarkten. Maar het nieuwe decennium begon al meteen met een oliecrisis: Irak viel op 2 augustus 1990 de oliestaat Koeweit binnen. De rest van de wereld kondigde tegenover beide landen een olie-embargo aan. 9 procent van het wereldaanbod viel daarmee weg. In enkele maanden tijd verdrievoudigde de olieprijs nagenoeg tot 40 dollar in oktober 1990.

Saudi-Arabië, de bondgenoot van de VS in het conflict, draaide de oliekraan volledig open, waardoor een olietekort werd vermeden en de olieprijs vrij snel opnieuw kon halveren. Toch belandde de wereld na deze crisis in een recessie, maar economen besloten achteraf dat de oliecrisis en de Golfoorlog er niet de oorzaak van waren. In 1990 liep de hoogconjunctuur namelijk op haar laatste benen. Het consumentenvertrouwen was reeds aan het afbrokkelen en er heerste een kredietschaarste. De derde oliecrisis sinds 1973 zou wel de laatste zijn die werd veroorzaakt door het plotse wegvallen van miljoenen vaten olie.

De oliecrisis in 1999-2000 werd namelijk niet veroorzaakt door het plotse wegvallen van een groot aantal olievaten door een revolutie of een oorlog. Het was de combinatie van een plotse hoogconjunctuur met een verminderd OPEC-aanbod. In 1999 daalde de olieprijs tot 10 dollar per vat. Dat was het gevolg van een lage Aziatische olievraag wegens een zware crisis in 1998.

De OPEC besloot de productiequota te verminderen om de daling van de olieprijs een halt toe te roepen. Een forse herneming van de conjunctuur en dus van de olievraag deed de olieprijs tussen februari 1999 en september 2000 stijgen van 10 tot 35 dollar. Bovendien werd in die periode de euro 24 procent minder waard tegenover de dollar. Voor de Europese klanten werd olie in 19 maanden 360 procent duurder. Ook dat plaatst de stijging van de olieprijs met 70 procent sinds begin dit jaar in een perspectief.

De olieprijs stopte met stijgen na een ingreep van President Clinton. Hij gooide in november 2000 dertig miljoen vaten van de strategische reserves op de markt. President Bush weigerde bij de huidige oliecrisis halsstarrig de reserves aan te spreken. Vanaf 2001 stort de economie zich opnieuw in een recessie. Maar ook nu is de stijging van de olieprijs niet de oorzaak. Een overcapaciteit door de investeringsdrift in de late jaren 90 en de salamicrash op de beurzen waren dat wel.

De huidige oliecrisis valt het meest te vergelijken met die van 1999-2000. De OPEC heeft tussen de tweede Golfoorlog van maart 2003 en februari 2004 de productiequota verschillende keren verlaagd. De OPEC en andere instanties zoals het Internationaal Energie-Agentschap voorzagen niet dat de olievraag dit jaar de sterkste toename zou kennen in 24 jaar. Vooral in de VS, China en India ligt de vraag hoger dan verwacht. Een reeks kleinere productieonderbrekingen in onder meer de VS, Nigeria en Noorwegen wogen zwaarder door dan tijdens 'normale' marktomstandigheden. De olieproducenten zijn bij deze olieprijs meer geneigd om naar olie te zoeken, maar de vruchten zullen pas na vele jaren geplukt worden.

Over de impact van de huidige oliecrisis op de economie zijn de experts verdeeld. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) stelt dat het herstel in beperkte mate is geschaad door de hogere olieprijs. Er zijn twee klassieke redenen die daarvoor worden aangehaald. Na drie decennia is de hoeveelheid energie die nodig is voor een gelijke hoeveelheid economische activiteit afgenomen met 46 procent. Bovendien staat de olieprijs in reële termen een stuk lager dan in 1980.

Maar sommige economen zien het anders. Ze wijzen op de onevenwichten in de globale economie, en dan vooral het gapende tekort op de Amerikaanse lopende rekening. Een stijging van de olieprijs dreigt dat tekort nog te vergroten. De cruciale vraag is hoe lang de olieprijs op de huidige hoge niveaus blijft fluctueren. Vorige week verklaarde Stephen Roach, de hoofdstrateeg van Morgan Stanley: 'Nu de kansen op een olieschok stijgen, wordt een globale recessie in 2005 steeds waarschijnlijker.' Roach gedraagt zich al jaren als een pessimist, maar een blik op de geschiedenis leert dat die waarschuwing beter niet in de wind wordt geslagen.

Christophe DE RIJCKE

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud