Advertentie

Vijf mythes over olie ontkracht

(tijd) - 'Een lagere olieprijs leidt steeds tot een hogere globale economische groei', wordt gezegd. Dat lijkt logisch, maar toch klopt het niet helemaal. Spotgoedkope olie kan de bestedingen in de olieproducerende landen namelijk in die mate verminderen dat de wereldconjunctuur vertraagt. Bovendien wordt de wereld dan afhankelijk van olie in weinig stabiele landen. Zo, deze mythe is ontkracht. We nemen er nog vier op de korrel.

Mythe 1. De Europese economie is minder gevoelig voor hogere olieprijzen dan de Amerikaanse, want de Europeanen rijden in kleinere wagens terwijl de Amerikanen tuk zijn op brandstofverslindende 4x4's.

De Europeanen rijden in kleinere wagens dan de Amerikanen, ze leggen ook minder kilometers af en beschouwen airconditioning niet als een absolute noodzaak. Maar de gevoeligheid van een economie voor de olieprijs wordt niet in de eerste plaats bepaald door het absolute brandstofverbruik. Het is de netto-olie-invoer in verhouding tot het bruto binnenlands product (BBP) die telt. De netto-invoer van olieproducten bedraagt in de eurozone omgerekend 15,9 miljoen vaten per dag, stelt Barclays Capital. In de VS ligt de netto-invoer lager: op 12,7 miljoen vaten per dag. De VS voeren minder olie in omzet ze zelf dagelijks meer dan 7 miljoen vaten olie produceren. De hoge olieprijs is ook positief voor de belangrijke Amerikaanse olie-industrie. Bijgevolg wordt de economie in de eurozone meer getroffen door een hogere olieprijs dan die in de VS.

Mythe 2. Een stijging van de olieprijs voelt voor een Belgische (of Europese) autobestuurder minder pijnlijk aan dan voor een Amerikaanse, want de fiscus treedt op als schokdemper.

In België bestaat de benzineprijs voor 65 procent uit fiscale lasten: BTW, accijnzen en energiebijdragen. Het fiscale gewicht in de dieselprijs ligt op 50 procent. Bij een toename van de olieprijs met pakweg 10 dollar per vat, stijgt zowel in de VS als in België de oliecomponent in de pompprijs (de basisprijs) met 6,3 dollarcent per liter. In ons land leidt de hogere olieprijs ook tot een stijging van de fiscale lasten omdat er 21 procent BTW verschuldigd is op de som van basisprijs, distributiekosten en accijnzen.

Door de accijnzen leidt een hogere olieprijs tot een procentueel minder hoge toename van de pompprijs in België, dan in de Verenigde Staten. Daarentegen, door de hoge belastingen op het motorbrandstoffenverbruik, kost de doorsneetankbeurt in België wel drie keer meer dan in de VS. Het is dus zeer opmerkelijk dat tankbeurten ongeveer een even grote hap uit het Belgische gezinsbudget nemen, als uit het Amerikaanse. Als een hogere olieprijs minder pijnlijk aanvoelt voor de Belg dan voor de Amerikaan, dan is dat in de eerste plaats te danken aan het zuiniger verbruik, en niet aan de fiscus.

Mythe 3. Een daling van de olieprijs leidt tot een hogere globale economische groei en is altijd beter voor de consument.

Spotgoedkope olie lijkt zeer interessant. Het zou vooral positief zijn voor de consumenten uit de ontwikkelingslanden die zich gemakkelijker huisverwarming, verlichting en mobiliteit kunnen veroorloven. Maar er is ook een keerzijde aan de medaille. De inkomsten van enkele landen zijn voor het grootste deel afhankelijk van de verkoop van olie. Noorwegen, Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten hebben reserves aangelegd voor minder lucratieve tijden. Maar andere landen zoals Rusland, Nigeria, Algerije en Venezuela zouden in grote problemen komen, mocht de olieprijs fors dalen.

De lagere bestedingen van financieel noodlijdende oliestaten kunnen de economische globale groei vertragen, ook al neemt de welvaart van de olieconsumerende landen toe. In veel oliestaten is de regering van een bedenkelijk allooi en tiert de corruptie welig. Daardoor kunnen ze een drastische afname van de olieinkomsten moeilijk opvangen. Spotgoedkope olie kan zo leiden tot armoede en instabiliteit. Bovendien zou bij een olieprijs van minder dan 10 dollar - het gebeurde eventjes eind 1998 - het ophalen van olie enkel nog rendabel zijn in Arabische landen zoals Saudi-Arabië, Irak en Iran. En wie wil er voor zijn energievoorziening afhankelijk zijn van deze landen, de olieschok van 1973 indachtig?

Mythe 4. Nu de prijs van stookolie dit jaar met 61 procent is gestegen, mogen de gebruikers van aardgas binnen enkele maanden een soortgelijke toename van de energiefactuur verwachten.

Sinds 1 januari 2004 steeg de maximumprijs van stookolie met 61 procent. Hij correleert sterk met de olieprijs, want bijna 70 procent van de factuur bestaat uit de basisprijs (olieprijs plus raffinagemarge).

Een toename van de olieprijs leidt zes maanden later tot een hogere aardgasprijs, maar die verhoging ligt procentueel veel lager dan men zou denken. De oorzaak ligt bij de samenstelling van de aardgasprijs. Die bestaat voor 30 procent uit de invoerprijs van aardgas (die met vertraging evolueert met de olieprijs), en voor 70 procent uit andere kosten zoals vervoer, distributie en belastingen. De aardgasprijzen, volgens de referentieprijs van het Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, stegen over dezelfde periode met 7 procent. Volgens Figas, het Verbond der Gasnijverheid, zullen de aardgasprijzen nog eens met 7 procent toenemen als de olieprijzen vanaf nu stabiel blijven. De totale prijsstijging van aardgas is dus vier keer lager dan die van stookolie.

Mythe 5. De oliereserves in de wereld geraken uitgeput. De stijging van de olieprijs tot boven 50 dollar per vat is daarvan een illustratie.

'Ik merk dat de zorg over het energieaanbod in de wereld vandaag het grootst is sinds mijn eerste stappen in de oliesector 25 jaar geleden', zei Lord John Browne onlangs, de topman van de Britse olieproducent BP.

De hausse van de olieprijs heeft te maken met een uitzonderlijke en onverwachte stijging van de olievraag dit jaar en met speculatie op de grondstoffenmarkten. Ze heeft niets te maken met het opdrogen van de reserves. De bewezen reserves bedragen volgens een ruwe schatting 1.050 miljard vaten. Daaruit vloeit voort dat de olieproductie rond 2025 zal pieken. Maar dat is zonder rekening te houden met de technologische vooruitgang in het vinden en ophalen van olie. Nieuwe technologische middelen hebben de bewezen reserves sinds 1960 verdubbeld.

Sectorspecialisten wijzen bijvoorbeeld op het potentieel van niet-conventionele olie waarvan Canada uit zijn zandgebieden momenteel reeds 1 miljoen vaten per dag op de markt brengt. Volgens de gerenommeerde oliespecialist Peter Odell, Brits professor emeritus aan de Erasmus Universiteit, zal het productiepeil dankzij niet-conventionele olie pieken rond 2060. Niet iedereen stelt zich zo optimistisch op als Odell, maar objectief gezien is de kwestie van de reserves niet brandend actueel.

Christophe DE RIJCKE

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud