De ECB draait de geldkraan wijd open. Dat is de gemakkelijke klus. De moeilijke is ze later weer dicht te draaien.

Een binnenschip met welgeteld één container aan boord passeert op de Main in Frankfurt, aan de voet van het torengebouw waar de Europese Centrale Bank (ECB) is gehuisvest. Een journalist postte het beeld woensdag op Twitter. ‘De bestuurders van de ECB moeten maar uit het raam kijken om te zien hoe de Europese economie ervoor staat’, voegde een econoom eraan toe.

De ECB schetste donderdag inderdaad een somber beeld. De coronacrisis doet de economie van de eurozone dit jaar met 8,7 procent krimpen, verwacht de centrale bank, en de inflatie zakt naar 0,3 procent. Dat is net geen deflatie.

Voor de ECB zijn dat voldoende redenen om haar monetair arsenaal voluit te ontplooien. Ze besliste de geldkraan wijd open te draaien: het programma van de obligatieaankopen in de strijd tegen de coronacrisis wordt met 600 miljard euro opgetrokken tot 1.350 miljard euro.

Uitzonderlijke omstandigheden vergen uitzonderlijke maatregelen. Er is daarom weinig kritiek op het feit dat de ECB haar grote bazooka bovenhaalt. De actie van de ECB past deze keer in een grootscheeps offensief om de economie te redden, waarbij ook de nationale regeringen van de eurozone én de Europese Commissie grote inspanningen leveren.

Kanttekeningen

Toch kunnen bij de actie van de ECB kanttekeningen worden geplaatst. Opnieuw interpreteert de centrale bank haar mandaat - waken over de prijsstabiliteit in de eurozone - heel ruim. Dat argument is een passe-partout geworden om alles te rechtvaardigen wat ze doet.

Tegenover de steun moet een engagement staan van wie ze ontvangt om in zijn economie orde op zaken te stellen.

En dat de bank met haar obligatieaankopen de voorbije weken vooral Italië voortrok, is een potentiële politieke angel. Temeer omdat de monetaire steun van de ECB aan de eurolanden niet is gekoppeld aan voorwaarden om economisch orde op zaken te stellen.

Een aantal noordelijke eurolanden heeft het daar moeilijk mee. Ze vinden dat de kwistige landen die nooit hebben gemaald over een gezonde economie nu worden beloond, ten koste van de zuinige. Als reactie daarop kunnen ze moeilijk beginnen te doen over de verdeling van het geld van het relanceplan van 750 miljard euro dat de Europese Commissie in de steigers heeft staan, en over de verdeling van de financieringslast ervan.

Voor sommige landen, zoals Italië, is de steun die ze nu krijgen cruciaal. Het gevaar is dat ze er verslaafd aan raken. Kan hun economie het weer op eigen houtje redden als de uitzonderlijke Europese steunprogramma’s eindigen? Of is de ECB genoodzaakt ermee door te gaan, ook al krijgt haar beleid steeds grotere negatieve nevenwerkingen? Wordt de ECB uiteindelijk gegijzeld door haar eigen beleid? Dat was het geval met haar monetaire stimulus na de Grote Recessie van 2009, omdat sommigen landen er niet aan toe kwamen structureel te hervormen om hun economie dynamischer en robuuster te maken. Uiteindelijk leidde dat vorig jaar tot spanningen tussen de eurolanden, en tot grote heibel in het bestuur van de ECB.

Daarom is steun beter niet onvoorwaardelijk. Voor wat hoort wat. Tegenover de steun moet een engagement staan van de landen om op termijn orde op zaken te stellen in hun economie. Anders wordt gewoon geld gestort in bodemloze putten en zullen politieke spanningen de eurozone op termijn uit elkaar doen spatten. 

Lees verder

Gesponsorde inhoud