Redacteur Politiek

Music for Life heeft zich ontpopt tot een van de mooiste momenten van solidariteit in Vlaanderen. De vraag is waarom de solidariteit die via de welvaartsstaat loopt zoveel minder populair is.

Een welkom aspirientje tegen verzuring en cynisme. Dat is misschien nog de beste omschrijving van Music for Life, de jaar na jaar groter wordende eindejaarsbenefiet van Studio Brussel, die op kerstavond opnieuw alle records sloopte. De voorbije weken en maanden werden in Vlaanderen 10.576 acties opgezet voor meer dan 1.600 goede doelen, wat bijna het dubbele van vorig jaar is. Ook de financiële opbrengst, die op 10,8 miljoen euro afklokte, is een derde meer dan vorig jaar en dubbel zoveel als in 2015.

Het toont hoe we wel degelijk nog in staat zijn tot solidariteit, gecombineerd met genoeg zottigheid, muziek en flauwe moppen. En het toont hoe de centrale gedachte achter Music for Life - iedereen zorgt voor iedereen - wel degelijk meer mensen beroert dan je zou denken als je de rest van het jaar het publieke debat volgt. Als er één gedachte welkom is rond kerstmis, en bij uitbreiding uiteraard de rest van het jaar, is het die.

Het toont ook de merkwaardige paradox tussen warme en koude solidariteit. Die eerste is vrijwillig, waarbij mensen elkaar spontaan helpen en zelf iets doen, zoals we dit kerstweekend zagen. De tweede is verplicht en kennen we van onze belastingbrief en de sociale bijdragen op ons loonstrookje. Het is het soort solidariteit waar we veel minder van houden.

De verplichte solidariteit bereikt iets wat op vrijwillige basis niet lukt.

De vraag is waaraan dat grote verschil te wijten is. Een eerste antwoord zijn uiteraard de cijfers. Dat Music for Life de kaap van 10 miljoen euro haalde, is goed nieuws. Maar het verzinkt in het niets met de 106 miljard euro die de Belgische overheid vorig jaar volgens de Nationale Bank aan sociale uitgaven spendeerde. De koude solidariteit vraagt met andere woorden een inspanning die een tienduizendvoud is van wat we vrijwillig bereid zijn in deze kerstperiode te geven.

Daar staat tegenover dat de verplichte solidariteit iets bereikt wat op vrijwillige basis niet lukt. Ze zorgt er effectief voor dat iedereen voor iedereen zorgt: de gezonden voor de zieken, de werkenden voor de werklozen, de jongeren voor de ouderen. In die zin is ze van onschatbaar grotere waarde. Omdat iedereen wel eens ziek wordt of door tegenslag zonder inkomen kan vallen, is ze het ultieme sociaal contract van een bevolking met zichzelf.

Dat we dat sociaal contract toch niet naar waarde schatten, komt wellicht omdat we vermoeden dat te veel geld op de verkeerde plaats terechtkomt. Maar ook omdat we wéten dat er contractbreuk volgt. In België is namelijk al decennia een welvaartsstaat uitgebouwd die meer kost dan wat we ervoor betalen. Het decennia oude - en gelukkig dalende - begrotingstekort geldt als ultiem bewijs. Bovendien zijn voor miljarden beloftes in het sociaal contract gemaakt, pensioenen en ziekte-uitgaven voor oudere mensen, zonder dat al geld voor die vergrijzing is opzijgezet.

Dat maakt de koude solidariteit onnodig wrang. Ze is een sociaal contract met de harde belofte van contractbreuk, omdat de overheid of zal moeten besparen of je nog eens om geld zal moeten vragen. Niemand verwacht dat mensen met plezier belastingen betalen, maar moest het sociaal contract worden hersteld, zou de welvaartsstaat wellicht al iets meer als een warme week aanvoelen.

Reageren? Deel uw mening met ons en andere lezers op tijd.be/commentaar

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud