column

445 miljard euro

De fiscaal geoptimaliseerde activa van de Belgische financiële instellingen en kredietverstrekkers in concernverband, zeg maar de holdings, overstijgen het Belgisch bruto binnenlands product. Valt dat nog te rijmen met de hoge parafiscale druk en de hoge belasting op arbeid?

De politieke wil om te veranderen volstaat niet. Om doortastend te kunnen regeren moeten de kandidaat-bestuurders hun huiswerk maken. Dat laatste willen politici vaak verwaarlozen, want tussen droom en daad staan altijd weer electorale besognes.

Intussen dreigen tal van regeringsplannen in de bouwdoos te blijven.

In dat opzicht forceerde de huidige federale bewindsploeg geen breuk met het verleden. Dat de centrumrechtse regering van premier Charles Michel (MR) door haar geslenter en het politieke hanggedrag van de coalitiepartners de kans verkeek om eindelijk orde op zaken te stellen in het federale staatshuishouden, is een vriendelijke vaststelling.

Minder vriendelijk zijn de vooruitzichten van de Nationale Bank van België. Die verwacht de komende regeerperiode een dalende groei en een verslechterend begrotingsdeficit tot 1,8 procent. Daarmee is het federale koninkrijk alweer 8 miljard euro verwijderd van het beloofde budgettaire evenwicht. Zo duurt het nog jaren voor de begroting en de schuldgraad op eurokoers raken.

Intussen dreigen tal van regeringsplannen in de bouwdoos te blijven. De pensioenhervorming is nog lang niet afgerond, met als gevolg dat de pensioenkloof met de buurlanden onveranderd blijft. In de sociale zekerheid lopen de uitgaven verder op. De Arco-kwestie blijft een bron van grote verdeeldheid in de meerderheid. De taxshift is verre van gedekt. De overheidsuitgaven blijven hoog. De arbeidsmarkt is rigide als voorheen en dat weegt op de activiteitsgraad. De kansarmoede blijft gênant hoog. De toename van het aantal leefloners is zorgwekkend. De parafiscale druk is een van de hoogste in Europa. De belastingdruk op arbeid torent uit boven de rest van Europa en ver boven het gemiddelde van de OESO-landen.

Dat alles steekt schril af bij de opgetaste activa van de financiële instellingen en kredietverstrekkers in concernverband, zeg maar de holdings, die buitenmaatse proporties aannemen. Het totaal van die activa, netjes fiscaal geoptimaliseerd via onder meer de notionele intrestaftrek, staat nu op 445 miljard euro. Dat is meer dan het bruto binnenlands product van België, en meer dan de helft van de 987 miljard euro van alle Belgische depositobanken samen. Het aantal arbeidsplaatsen tegenover die 445 miljard euro, die buiten de graaiende hand van de fiscus blijft, is verwaarloosbaar.

Als een gebedsmolen hebben alle regeringspartijen zonder uitzondering de afgelopen decennia herhaald dat onze begrotingskwel alleen zal verdwijnen door meer mensen aan het werk te zetten.

Hoe dat fiscale gunstregime voor holdings, die nergens ter wereld worden gepamperd zoals in België, te rijmen valt met de parafiscale druk en de hoge belastingdruk op arbeid, zullen de regeringspartijen aan de kiezers moeten uitleggen. Vergeleken met die kolossale spaarpot van de holdings klinkt het zegebulletin van de federale overheidsdienst Financiën over de 2,27 miljoen onderzochte aangiftes die gemiddeld 1.314 euro per dossier opleverden, een beetje knullig. Haast zo knullig als de maatregelen waarmee Michel minder dan een jaar voor het einde van zijn regeerperiode wil uitpakken om alsnog meer mensen aan de slag te krijgen.

Als een gebedsmolen hebben alle regeringspartijen zonder uitzondering de afgelopen decennia herhaald dat onze begrotingskwel alleen zal verdwijnen door meer mensen aan het werk te zetten. Michel lijkt nu met een dertigtal maatregelen terug te grijpen naar het nummer met de werven, ook al rond arbeid, dat zijn voorganger Guy Verhofstadt al eens opvoerde. Dat leverde toen niet veel meer op dan een passage in het avondjournaal met beelden van ministers met opgestroopte mouwen rond tafels beladen met kasseidikke dossiers en krachtig geformuleerde voornemens.

Arbeid en origines

Michel wil nu ook de deelstaten bij de zaak betrekken. Dat is geen dag te vroeg. De inkeer van de premier is een gevolg van de gewijzigde politieke situatie in Wallonië. Vorig jaar kreeg Michels partij MR onverhoopt de leiding van de Waalse regering in handen na de opmerkelijke defenestratie van minister-president Paul Magnette en de PS uit de coalitie door cdH-voorzitter Benoît Lutgen. De nieuwe Waalse minister-president Willy Borsus, een trouwe kompaan van Michel, werd in Namen prompt door de werkelijkheid overvallen. Hij was daarover heel openhartig in het Waals Parlement: ‘Wallonië loopt zo’n 14 jaar achter op Vlaanderen’. Zijn pijnlijke vaststelling stond al jaren voor iedereen te lezen in de regionale werkloosheidstabellen in het jaarverslag van de Nationale Bank van België. Die achterstand wegwerken wordt voor Wallonië een race tegen de tijd, omdat de nieuwe financieringswet gaandeweg de noord-zuidtransfers afknijpt.

Om het bestuurlijke werk te begeleiden beschikken de Wetstraatbewoners over een leger deskundigen en technocraten. Die bemannen een veelvoud van adviesbureaus, commissies en hoge raden allerhande. Jaarlijks brengen ze trouw en nauwgezet verslag uit over hun bevindingen en aanbevelingen. Hun werk, vaak tot stand gekomen in samenspraak met de studiediensten van de Nationale Bank, vindt ook zijn weg naar hogere instanties als Eurostat, de waakhond van de Europese Commissie, en/of de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Onlangs verscheen het rapport ‘Arbeidsmarkt en Origine 2017, Socio-Economische Monitoring’, een werkstuk van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en van het Interfederaal Gelijkekansencentrum (Unia). Bij de lectuur rijst meteen de vraag of iemand in de Wetstraat ooit de vorige rapporten van 2013 en 2015 heeft gelezen. Want als het op beleidsaanbevelingen aankomt, staat daar letterlijk dat het rapport van 2017 geen aanleiding biedt om de aanbevelingen van 2013 en 2015 te herroepen of bij te stellen. Gewoon omdat werknemers van vreemde origine na al die jaren nog altijd slechter af zijn op de Belgische arbeidsmarkt dan in om het even welk ander EU-land. Zelfs bij hooggeschoolden komen veel meer werknemers van niet-EU-origine terecht in minder goed betalende sectoren dan hooggeschoolden van EU-origine. Zelfs met een betere opleiding hebben jongeren van Afrikaanse origine veel meer moeilijkheden om een plaats op de arbeidsmarkt te veroveren. Dat de Antwerpse werkloosheidscijfers schril afsteken bij die van de rest van Vlaanderen, is daar een gevolg van.

Zelfs in de publieke sector blijft de segregatie een feit, omdat het ambtenarenstatuut de autochtonen beschermt. Drie jaar geleden al poneerde Jan Denys, arbeidsexpert van Randstad, dat de structuur van de Belgische arbeidsmarkt het voor die zwakkere groepen moeilijk maakt om aan een baan te raken. Die aanbevelingen zijn al jaren bekend. Om er maar enkele te noemen: de hervorming van de arbeidsmarkt, een opwaardering van het technisch onderwijs en de bijsturing van de erkenning van diploma’s, en de bestrijding van de discriminatie op alle fronten. Het aan de slag krijgen van de achtergestelde groepen zou de werkgelegenheidspercentages in Wallonië en zeker in Brussel, die beduidend lager liggen dan in Vlaanderen, fors opkrikken.

Toch is van die aanbevelingen om nieuwkomers en vooral mensen van niet-EU-origine aan het werk te krijgen weinig of niets terug te vinden in de plannen van premier Michel. Het zal de huidige generatie politici worden aangerekend dat ze dat probleem lieten rotten, terwijl de holdings bijna onbelast hun fortuinen kunnen oppotten.

Lees verder

Tijd Connect