opinie

Achter het doorgeefluikje

In plaats van zich voluit te richten op het Vlaamse en het Europese beleid, kiezen de Vlaamse traditionele partijen als het kan voor de uitgeholde federale macht.

‘Ik sta voor Vlaanderen, voor de copernicaanse revolutie. Ik ben een overtuigd confederalist. Ik ga mijn gedachtegoed niet verloochenen voor een postje in de federale regering. Dan gooi ik mijn geloofwaardigheid te grabbel.’ Zo klonk toenmalig Vlaams minister-president Kris Peeters (CD&V) begin april 2014 in een gesprek met de krant Het Laatste Nieuws. Enkele maanden later werd Peeters vicepremier in de federale regering van Charles Michel (MR). Nochtans had hij in dezelfde krant duidelijk te verstaan gegeven de politiek achter zich te laten mocht hij geen minister-president kunnen blijven.

Peeters was lang niet de eerste die uit de Vlaamse regering deserteerde. In 2003 liet Patrick Dewael (Open VLD) het Vlaams minister-presidentschap aan zijn partijgenoot Bart Somers om minister van Binnenlandse Zaken te worden in de federale regering van Guy Verhofstadt (Open VLD). Vier jaar later volgde Yves Leterme (CD&V) zijn voorbeeld. Na een eerste mislukte poging om een federale regering samen te brengen werd Leterme vicepremier onder interimpremier Verhofstadt. Wat later werd hij zelf premier in een hoogst woelige en bijwijlen weinig verheffende regeerperiode.

De Vlaamse traditionele partijen tonen opvallend weinig enthousiasme voor het regionale beleid dat ze zelf tot stand hebben gebracht.

De overstappen van Peeters, Dewael en Leterme zijn treffende voorbeelden van de politieke gespletenheid die de Vlaamse traditionele partijen in electorale verlegenheid brengt. Want in plaats van zich voluit op het Vlaamse en het Europese beleid te richten zetten christendemocraten, sociaaldemocraten en liberalen vooral in op de federale macht en vooral de bewaking van de federale kas. Ze werden er electoraal niet voor beloond.

De Franstalige partijen onderhouden een veel strakkere band met de regio’s. In 1992 verkoos PS-voorzitter Guy Spitaels resoluut het Waalse minister-presidentschap boven een prominente ministerpost in de federale regering van Jean-Luc Dehaene (CD&V). Voor een partij als de PS is het federale bestuursniveau de zekeringkast voor de transfers naar Wallonië en de houder van de overheidsschuld. Het is geen toeval dat PS-voorzitter Elio Di Rupo onlangs begon over een herziening van de financieringswet.

De Vlaamse traditionele partijen tonen opvallend weinig enthousiasme voor het regionale beleid dat ze zelf tot stand hebben gebracht. In de Vlaamse media wordt de Vlaamse regering al eens afgeschilderd als een omhoog gevallen schepenbank. Ook nu weer tijdens de voorbije kiescampagne, die eigenlijk nergens over ging, kwam het Vlaamse bestuursniveau nauwelijks uit de verf. Jean-Luc Dehaene, die met zijn staatshervorming België tot een federale staat omvormde, toonde als premier al maar weinig achting voor dat regionale niveau en al helemaal geen waardering voor zijn partijgenoot Vlaams minister-president Luc Van den Brande.

De houding van de drie Vlaamse traditionele partijen is verwonderlijk, omdat net zij dat federale niveau de voorbije decennia hebben uitgehold door de zes staatshervormingen en door kapitale bevoegdheidsoverdrachten aan de EU. De zesde staatshervorming leidde tot 16 miljard euro netto aan bevoegdheidsoverdrachten naar de regio’s en tegelijk liefst 12 miljard aan fiscale autonomie. In zijn jongste boek ‘Revolutie van de redelijkheid’ pleit CD&V-voorzitter Wouter Beke voor ‘een positief confederaal model’. Maar tijdens de voorbije verkiezingscampagne bleef hij opvallend discreet over die ambitie, die zeker niet werd vertaald door de manier waarop CD&V met de federale regering de herziening van de grondwet voor de komende vijf jaar op slot hield.

Verdampend niveau

Met de zesde staatshervorming werd het federale België verder herleid tot weinig meer dan een doorgeefluik naar Europa en naar de deelgebieden, het beleidsniveau dat het dichtst bij de burgers staat. Het beeld van een verdampend federaal niveau dat Karel De Gucht (Open VLD) ooit gebruikte, is stilaan van toepassing.

De Vlaamse regering is bijzonder terughoudend om de eigen macht aan te wenden.

Daarom is het opmerkelijk dat de Vlaamse regering, die intussen een deel van de sociale zekerheid mee beheert, zich al te vaak gedraagt als een onderaannemer van de federale bewindsploeg en niet als een gelijke. Ze is bijzonder terughoudend om de eigen macht aan te wenden. Terwijl de federale regering maar wat knoeide in de energie- en NMBS-dossiers, wachtte de Vlaamse regering haast gelaten af. In de discussie over de aanpassingen van de arbeidsmarkt bleef ze in de coulissen.

Eigenlijk is het tot nog toe maar één keer gebeurd dat ze een eigenzinnige koers koos, met de invoering van de zorgverzekering door Vlaams Agalev-minister Mieke Vogels nog wel. Zowel het Waals Gewest als de Franse Gemeenschap trok in 2011 naar het Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) en naar de Raad van State om die Vlaamse zorgverzekering tegen te houden, maar ze vingen bot. Aan Vlaamse kant is men telkens beschroomd om een belangenconflict in te roepen, hoe de regering ook is samengesteld. Want de broze communautaire evenwichten verdragen geen storing.

In artikel 143 van de grondwet staat: ‘Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectievelijke bevoegdheden, de federale loyauteit in acht.’ Maar aan Franstalige kant laat men zich die loyauteit beduidend minder gelegen. Zo werd Vlaanderen alsnog gedwongen belangenconflicten in te roepen voor de geluidsnormen voor vliegtuigen rond de luchthaven van Zaventem en de bijbehorende boetes die Brussel eenzijdig had opgelegd. Wallonië blokkeerde zonder meer het Europees-Canadese handelsakkoord (CETA), wat regelrecht indruiste tegen de Vlaamse economische belangen.

Die federale loyauteit moet wellicht opnieuw worden geformuleerd. Want ook het federale beleid blijft hier ondermaats. Zo zou de federale regering de link moeten leggen tussen de deelgebieden en de Europese Unie, althans op papier. Dat is overigens de interpretatie die de Raad van State geeft aan het Europese Verdrag van Lissabon, dat de doorslaggevende rol en de werking van de Europese Raad van regeringsleiders en staatshoofden definieert.

Eigenlijk moeten vertegenwoordigers van de deelstaten worden toegelaten op die bijeenkomsten van de Europese ministerraden. Maar de Vlaamse regio heeft het te druk met het staren naar de eigen navel, terwijl de federale regering de kaarten strak tegen de borst houdt. Zoals zes jaar geleden: tijdens de slotonderhandelingen over het meerjarig financieel kader probeerde toen de regering van Di Rupo alsnog enkele tientallen miljoenen euro’s bestemd voor de Vlaamse Gemeenschap om de sluiting van Ford Genk op te vangen af te leiden als steun voor het Waalse staal. Een attente tussenkomst van de permanente Vlaamse vertegenwoordiger Axel Buyse doorkruiste dat federale manoeuvre.

Door de stugheid van de federale regering krijgen de vertegenwoordigers van de deelregeringen geen toegang tot die Europese raden. Nochtans worden daar de grote economische en politieke lijnen getrokken die de regio’s aanbelangen. Bijgevolg moeten de samenwerkingsakkoorden uit 1994 worden aangepast aan de nieuwe institutionele realiteit. Bovendien worden de regio’s binnenkort wellicht gevraagd een goed deel van de federale bijdrage aan Europa voor hun rekening te nemen. Die aanpassing geldt ook voor de electoraal afkalvende traditionele partijen in Vlaanderen, die jammer genoeg de verschillende bestuursniveaus en vooral Europa gebruiken voor de carrièreplanning van hun kopstukken.

Lees verder

Gesponsorde inhoud