column

De blindenstoet in de Wetstraat

Om de economische relance mogelijk te maken is de starre Belgische arbeidsmarkt aan een dringende bijsturing toe. Intussen hinkt de federale formatieparodie verder zoals de blindenstoet van Bruegel.

De centrumrechtse bewindsploeg rond premier Charles Michel (MR), voortgezet door de restregering geleid door Sophie Wilmès (MR), kan nauwelijks nog worden overtroffen als het aankomt op bestuurlijke onbekwaamheid. Zelfs zonder de coronacrisis is de budgettaire ravage aangericht door die zogenaamde Zweedse coalitie nog groter dan die nagelaten door paars onder Guy Verhofstadt. Toch zetten de drie voorzitters van de huidige coalitiepartijen, Georges-Louis Bouchez (MR), Egbert Lachaert (Open VLD) en Joachim Coens (CD&V), door met hun poging om een nieuwe federale regering op te trekken op het Zweedse puin. Tenzij Coens alsnog het project keldert, weten we binnenkort of sp.a-voorzitter Conner Rousseau onbesuisd genoeg is om daarin mee te stappen zonder zijn voogdpartij PS. Anders blijft geen andere optie over voor de drie voorzitters dan alsnog een tripartite minderheidsregering te vormen met de drie traditionele families - liberalen, socialisten en christendemocraten -parlementair gedoogd door Ecolo en Groen.

De drie zelfbenoemde (in)formateurs hebben als belangrijkste doel het vermijden van vervroegde federale verkiezingen, de grote angst van de traditionele partijen maar ook van de Vlaams-nationalistische N-VA. Want over een mogelijk regeerprogramma moet het eerste concrete woord nog vallen. Nochtans is die opdracht als gevolg van de coronaplof niet gering. Er wachten behalve noodzakelijke openbare investeringen om de economie een nieuw elan te geven ook bijsturingen van de sociale zekerheid en van de arbeidsmarkt. Vooral de arbeidsmarkt, de motor van het economisch herstel, blijft problematisch, zoals blijkt uit recent studiewerk van Jan Denys, de bekende arbeidsdeskundige van Randstad. Zijn rapport wordt volgende week gepubliceerd en zal hopelijk de Wetstraat, geheel in beslag genomen door de eigen navel, aan het denken zetten.

De cijfers van Denys zijn pijnlijk voor de Zweedse coalitie. Vorig jaar al publiceerde hij een overzicht van jaren 2007-2017. Daarin werd de diagnose gemaakt van de kwalen van de Belgische arbeidsmarkt. Met zijn matige werkzaamheidsgraad was België in die periode op de Europese ranglijst weggezakt van de 20ste naar de 24ste plaats, net voor Griekenland, Spanje, Italië en Kroatië. Daar stond het nog steeds in 2019. Presteerde de arbeidsmarkt voortreffelijk in 2018 en 2019, dan slaagde België er niet in zijn Europese positie inzake de werkzaamheidsgraad en de activiteitsgraad te verbeteren. Als er al een kleine werkzaamheidswinst werd opgetekend dan is dat alleen aan de vrouwen te danken. Dat laatste is een gevolg van het optrekken van de pensioenleeftijd voor vrouwen door de regering van Jean-Luc Dehaene.

Vlaanderen deed het de afgelopen jaren globaal wel beter dan het Europese gemiddelde, maar toch onvoldoende om België op te stuwen in de Europese rangschikking. Vlaanderen zwemt dus niet met de Europese top, maar met de middenmoters. De Vlaamse regering beoogt een stijging met 5 procentpunten om aansluiting te krijgen bij de topregio’s. Ook Wallonië heeft de noodzaak daarvan ingezien. Dat is nodig, want Wallonië glijdt verder weg. Volgens de studie van Jan Denys bedraagt het verschil in werkzaamheidsgraad tussen Vlaanderen en Wallonië net geen 11 procentpunten, met Brussel bijna 14 procentpunten.

De activiteitsgraad was in België al historisch laag. In Wallonië en in Brussel is die de voorbije twee jaar zelfs gedaald en het verschil met Vlaanderen bedraagt nu respectievelijk 8,2 en 7,3 procentpunten. Bij kortgeschoolden daalt de werkzaamheidsgraad zowel in Wallonië als in Brussel, terwijl die in Vlaanderen gevoelig toeneemt.

In 2019 gaf de werkloosheidsgraad een stevige daling te zien, niet alleen in Vlaanderen, ook in Wallonië en Brussel. Vlaanderen scoorde daar bijzonder goed en moest op de Europese ranglijst alleen Tsjechië laten voorgaan. Door de Vlaamse cijfers komt België op de 15de plaats op de Europese ranglijst, terwijl Wallonië en Brussel met de 24ste en de 26ste plaats helemaal onderaan blijven hangen.

Een opmerkelijk verschil is de werkzaamheidsgraad onder werknemers van buiten de EU. Die stijgt in Vlaanderen met maar liefst 6,4 procentpunten, terwijl die in Brussel nauwelijks toeneemt met amper een half procentpunt en in Wallonië zelfs daalt met 2,3 procentpunten.

Formatieparodie

Die toenemende verschillen tussen noord en zuid wegen uiteraard op de Belgische cijfers. Door de coronacrisis zal de werkloosheid op korte termijn oplopen, vooral in Vlaanderen, waar het aandeel van de privésector in de arbeidsmarkt gevoelig groter is. Denys voorspelt dat bij de herneming van de economie de oude kwalen opnieuw opduiken, met als belangrijke probleem de dalende beroepsbevolking. ‘Indien het globale aantal jobs zou dalen in de nabije toekomst, sluit dat niet uit dat het aandeel moeilijk invulbare vacatures toch toeneemt. Het volstaat immers dat de daling van het aantal jobs onder die van de beroepsbevolking blijft. Want in 2009 steeg de bevolking op beroepsactieve leeftijd nog met 70.000 personen, in 2020 is dat al minder dan 10.000 en de komende jaren duiken we zelfs onder nul.’

Dat betekent dat meer dan ooit moet worden gestreefd naar een activering van de inactieven om de werkzaamheidsgraad op te krikken. De arbeidsduurvermindering die de PS wil invoeren biedt geen soelaas en zal de betaalbaarheid van het sociale systeem zeker niet in de hand werken.

De arbeidsduurvermindering die de PS wil invoeren biedt geen soelaas en zal de betaalbaarheid van het sociale systeem zeker niet in de hand werken.

Dat laatste is een belangrijke taak waar de federale overheid meteen aan moet beginnen. Helaas hinkt de federale formatieparodie voort, waardoor kostbare tijd verloren gaat. Om de economie aan te zwengelen is meer nodig dan het rondstrooien van gratis treinritten en restaurantcheques. Daar moeten zware openbare investeringen aan te pas komen, terwijl tegelijk de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid moeten worden bijgestuurd. Dat wordt allemaal gecompliceerd door de blijvende communautaire tegenstellingen. Namen zijn voorgangers steeds meel in de mond als ze communautaire kwestie aansneden, dan toont de huidige gouverneur van de Nationale Bank,  Pierre Wunsch, zich zeer vrijmoedig. Tot grote ergernis van Elio Di Rupo (PS), de Waalse minister-president, begon Wunsch tijdens een academische ontmoeting met klimaatexpert Jean-Pascal van Ypersele over de Waalse economische structuur die afhangt van de transfers vanuit Vlaanderen. Hij herhaalde wat hij eerder al tijdens een RTL-uitzending poneerde. ‘Voor 2021-2022 zit Wallonië waarschijnlijk aan 70 procent overheidsuitgaven.’ Volgens hem staat Wallonië met die cijfers dichter bij een communistisch dan bij het neoliberale regime dat sommigen vrezen te zien. Di Rupo schrok zich kennelijk een hoedje toen hij de verklaring van Wunsch las. Volgens hem gaat het om achterhaalde cijfers en valt Wunsch uit zijn rol. Als gouverneur van de NBB staat hij in dienst van het land, met inbegrip van de regio’s, zo vindt de Waalse minister-president, die zich wel wachtte om de cijfers te corrigeren.

De reactie van Di Rupo is opmerkelijk en wellicht ook het gevolg van de zenuwachtigheid rond de federale regeringsonderhandelingen. Want veel van wat Wunsch zei en zelfs de bevindingen van Denys staan goeddeels te lezen in het jaarverslag en de rapporten van de Belgische centrale bank. Die besteedt al langer uitgebreid aandacht aan de regionale cijfers. Het waren de NBB-directieleden Marcia De Wachter en Norbert De Batselier die destijds hadden aangedrongen op de publicatie van die regionale verschillen. Helaas worden die door weinigen in de Wetstraat bekeken.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud