opinie

De laatste gouverneur

Nooit woog een gouverneur van de Belgische centrale bank meer op de politieke besluitvorming dan Alfons Verplaetse. Heel terecht noemde premier Jean-Luc Dehaene de eregouverneur, die donderdag overleed, ‘mijn gids naar de euro’.

Op 3 juli 1989, enkele maanden voor de val van de Muur, werd Fons Verplaetse gouverneur van de Nationale Bank van België, en tegelijk ook bestuurder van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS) en van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Dat verschafte hem een breed inlichtingennetwerk. Vanuit zijn kantoor op de vierde verdieping van het grote NBB-gebouw langs de Brusselse Berlaimontlaan volgde hij nauwlettend de Europese ontwikkelingen.

Luttele weken voor zijn aantreden als gouverneur had toenmalig Europees Commissievoorzitter Jacques Delors voor de Economische Raad in Madrid de toekomstige Economische en Monetaire Unie uitgetekend.

De Belgen hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in de totstandkoming van de monetaire plannen. De befaamde econoom en Yale-professor Robert Triffin behoorde tot de nauwste kring rond Jean Monnet en gaf vorm aan de Europese Betalingsunie (EBU). Hubert Ansiaux, een voorganger van Verplaetse als NBB-gouverneur, was een spilfiguur in het comité-Werner dat de muntunie inleidde. Jacques van Ypersele de Strihou, de latere kabinetschef van premier Wilfried Martens en van koning Boudewijn, schreef mee aan het oprichtingsbesluit voor het Europees Muntstelsel (EMS).

Verplaetse had als adviseur van de centrale bank tal van Europese bijeenkomsten bijgewoond. In de aanloop naar het EMS zetelde hij op vraag van toenmalig gouverneur Cecil de Strycker namens de NBB in een werkgroep die vergaderde in het gebouw van de BIS in Basel. Dat deed ze onder het toezicht van de Europese ministers van Financiën, onder wie de latere Franse president Valéry Giscard d’Estaing en Helmut Schmidt, die naderhand bondskanselier werd.

De creatie van de Europese economische en monetaire unie was volgens Verplaetse de belangrijkste uitdaging voor het land. Er was geen andere.

Tijdens de werkzaamheden in Basel observeerde Verplaetse van dichtbij Schmidt en hield een bijzondere achting aan hem over. Want de Duitse sociaaldemocraat overdonderde iedereen die met hem werkte. Volgens André Szász van de Nederlandse Bank gaf Schmidt altijd prioriteit aan zijn politieke doelstellingen en was hij bereid daarvoor aanzienlijke monetaire risico’s te nemen. ‘Want monetaire politiek is (ook) buitenlandse politiek’, vond Schmidt. Verplaetse zat helemaal op die lijn.

Kort na de val van de Muur en de Duitse hereniging nam Verplaetse de regering-Martens in snelheid en koppelde de Belgische frank aan de Duitse mark. Een roekeloze onderneming volgens vooraanstaande economen van Belgische universiteiten. Een noodzakelijke ingreep, vond hijzelf, omdat die de politici een monetaire discipline oplegde en de aansluiting van België bij de Europese koplopers, Duitsland en Nederland, forceerde. De koppeling zou ondanks de doemberichten van economen niet bezwijken onder de zware  speculatie tegen de frank in de zomer van 1993.

Verplaetse besefte wat op het land afkwam. In april 1990 al maakte hij dat duidelijk in een gesprek met De Financieel-Economische Tijd: ‘Tegen het begin van de derde fase van de monetaire unie - dat is over vier tot vijf jaar - moet het overheidstekort dalen tot 2,5 à 3,5 procent van het bruto binnenlands product. Onder 3 procent/bbp is geen plaats meer voor laksheid.’ De creatie van de Europese economische en monetaire unie was volgens hem de belangrijkste uitdaging voor het land. Er was geen andere.

De belofte aan Tietmeyer

In februari 1982 had de tot dan onbekende Verplaetse zijn reputatie gevestigd in en buiten de Brusselse Wetstraat door de manier waarop hij, gedetacheerd vanuit de studiedienst van de NBB, samen met premier Martens en diens kabinetschef van Ypersele de Strihou - een oudgediende van het IMF - de devaluatie van de Belgische frank doorvoerde. De Luikse liberaal en vicepremier Jean Gol zou na de devaluatie Verplaetse typeren als ‘de man die pas in actie schiet vanaf 5 miljard frank’.

Dat Verplaetse zelfs Jef Houthuys, de voorzitter van de christelijke vakbond ACV, overtuigde van de noodzaak van een devaluatie, had indruk gemaakt. Dat was al gebeurd voor de weekends in zijn buitenverblijf in Poupehan, die naderhand mythische proporties kregen. Die samenkomsten in Poupehan dienden vooral om het vertrouwen tussen Houthuys en Martens te stijven.

Na zijn passage bij Martens keerde Verplaetse terug naar de Nationale Bank, waar hij eind 1953 was binnengetreden als in een religieuze orde. Zijn terugkeer wekte wel de wrevel op van de top van de NBB, die de devaluatie als een affront had ervaren.

Wat hij zich niet realiseerde, was dat hij de laatste echte gouverneur zou blijken. Zijn opvolgers moesten zich schikken naar de Europese Centrale Bank in Frankfurt.

Toen Verplaetse eind 1981 bij de Nationale Bank vertrok, was hij slechts adjunct-adviseur maar wel een van de sterren van de studiedienst. Tot ergernis van velen had zijn chef Roland Beauvois al die jaren de hoekige Zultenaar bij elke benoemingsronde  gepasseerd. Maar begin 1988 stapte Verplaetse, nu politiek gesterkt, de Bank binnen als lid van het directiecomité. Het jaar daarop nam hij plaats in de gouverneurszetel alsof hij daar altijd had gezeten. Wat hij zich niet realiseerde, was dat hij de laatste echte gouverneur zou blijken. Zijn opvolgers moesten zich schikken naar de Europese Centrale Bank in Frankfurt.

Op 9 en 10 december 1991 had de raad van Europese regeringsleiders de laatste hand gelegd aan het Verdrag van Maastricht, dat enkele weken later, op 7 februari 1992, werd ondertekend. Gebeiteld in dat verdrag stonden de invoering van de euro op 1 januari 1999 en de voorwaarden om tot de eerste krans van eurolanden te behoren. Dat België daar lang niet aan voldeed, was de eerste pijnlijke vaststelling voor de nieuwe premier Dehaene, die precies een maand na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht de eed aflegde bij koning Boudewijn.

Zever

©Photo News

Dehaene was geen voorstander geweest van de devaluatie. ‘Met die zever moet je bij mij niet aankomen’, zei hij toen tegen Verplaetse. Maar hij had de gouverneur en vooral diens franc-parler altijd gewaardeerd. Na de zwarte verkiezingszondag van 24 november 1991, die een fors verlies voor de eigen CVP en een opvallende winst voor het extreemrechtse Vlaams Blok opleverde, had een ontgoochelde Dehaene aangekondigd de politiek te verlaten. Tijdens een van hun vele gesprekken daarover had Verplaetse hem toegeroepen: ‘Als je dat doet, ben je mijn vriend niet meer...’ Waarop Dehaene antwoordde: ‘Zeg me dan wat ik moet doen en blijf niet in uw ivoren toren zitten. Als ik het verkeerd toepas, mag je het mij zeggen.’ Wat later nam Dehaene zijn intrek in de Wetstraat 16. Een van zijn eerste gesprekken als premier -  een eerste van vele maandelijkse overlegstonden – was een tête-à-tête met de NBB-gouverneur. ‘Fons, maak dat we d’r bij zijn’, had Dehaene hem op het hart gedrukt. Voor Dehaene en zijn minister van Financiën Philippe Maystadt werd de euro een obsessie.

België werd uiteindelijk tot de eurozone toegelaten, ondanks het aanvankelijke verzet van de Duitsers en de Nederlanders. Dat België alsnog werd opgenomen, was de verdienste van Verplaetse. Hij wist Hans Tietmeyer, de voorzitter van de Bundesbank, ook een christendemocraat, te overtuigen met de belofte dat België een budgettair primair overschot van 6 procent van het bbp zou handhaven. ‘Ik denk niet dat we dat van iemand anders hadden aanvaard’, vertelde Tietmeyer later.

In een exemplaar van zijn memoires dat hij voor hem opzijlegde, schreef Jean-Luc Dehaene heel oprecht: ‘Voor Fons Verplaetse, architect van het Globaal Plan en mijn gids naar de euro.’ Dat soort erkentelijkheid is heel zeldzaam geworden in de politiek.

(Uit de inleiding bij 'De laatste gouverneur', dat begin 2021 verschijnt.)

Lees verder

Gesponsorde inhoud