opinie

De verlichting onder het Noordstation

Waarover praten transmigranten en asielzoekers tussen de pijlers onder het Noordstation? Over hun voortaan gelaagde identiteit? Over de weldaden van de verlichting? Of over hoe te overleven in een weinig inclusief Europa?

‘Uiteindelijk is het met onze identiteit als met ons lichaam. Zolang het gezond is, voel je het niet.’ Zo klonk de nuchtere conclusie van de Nederlandse historicus Hermann von der Dunk na een bladzijdenlange denkoefening over ‘nationale en individuele identiteit’.

Het vat zowat de halve bibliotheek samen die sinds de Tweede Wereldoorlog werd bijeengeschreven over identiteit, nationalisme en patriottisme. In zijn essay verwees Von der Dunk onder meer naar de stampei die de intussen overleden Amerikaanse filosoof Richard Rorty jaren geleden veroorzaakte met een opiniebijdrage in The New York Times. Daarin had hij de linkerzijde opgeroepen wat meer patriottisme aan de dag te leggen en af te stappen van het heilloze multiculturalisme dat groepen tegen elkaar in het harnas jaagt. Francis Fukuyama zou een nieuwe versie van die stelling uitwerken in zijn recente boek ‘Identiteit’. Hij werd prompt op zijn nummer gezet door de zwarte Stacey Abrams die ooit voor de Democraten kandideerde voor het gouverneurschap van de staat Georgia.

In Duitsland ontketende de schrijver Martin Walser een heftige polemiek toen hij zijn verlangen naar de Duitse hereniging en een Duitse natie uitsprak. Zijn collega Botho Strauss deed er nog een schep bovenop door van zijn kant het linkse kamp te chargeren in het weekblad Der Spiegel met het beruchte artikel ‘De aanzwellende tragedie’ over de teloorgang van de traditionele waarden en de nationale samenhorigheid. U kunt zich de commotie daarover voorstellen in Duitsland, dat na de Tweede Wereldoorlog vanwege zijn naziverleden door de rest van de wereld als een paria werd aangekeken, en waar in intellectuele kringen spreken over identiteit en Leitkultur als hoogst onkies werd beschouwd.

Het eindeloze debat over identiteit en natie is stilaan het exclusieve gezelschapsspel van de academische klasse.

In eigen land boog nu ook N-VA-voorzitter en Antwerps burgemeester Bart De Wever zich over de kwestie. In tegenstelling tot wat werd aangenomen, is zijn boek ‘Over identiteit’ geen deel van de kiescampagne van zijn partij. Het is De Wever te doen om het fatsoeneren van het debat. Tegelijk wil hij het identitaire discours van zijn partijkaders, kandidaten en verkozenen opsmukken, en vooral ideologische putjesscheppers als die van Schild & Vrienden van zijn erf jagen. En passant haalt hij wel de culturele elite over de hekel, want een beetje provocatie mag niet ontbreken.

Of Vlaanderen (of België) een verbeelde gemeenschap is dan wel een denkconstructie, zoals de communistische historicus Eric Hobsbawm de natie omschreef, maakt eigenlijk weinig uit. Belangrijker is dat die verbeelde gemeenschap of denkconstructie steunt op haar gemeenschappelijke taal, de rechtstaat en de grote verlichtingswaarden. Van de nieuwkomers wordt gevraagd dat zij dat onderschrijven om een voldragen burgerschap te kunnen opnemen. Want wie in een nieuwe samenleving en in een nieuwe taal stapt, moet ook de culturele en historische jaarringen overnemen, zoals Von der Dunk al schreef. En De Wever zou het passend vinden, mochten de nieuwe burgers ceremonieel, op zijn Amerikaans, hun trouw betuigen aan hun adoptiesamenleving en de bijbehorende waarden.

Of dat allemaal veel zoden aan de dijk zet, is maar de vraag. Het eindeloze debat over identiteit en natie is stilaan het exclusieve gezelschapsspel van de academische klasse. Uiteindelijk kan het beleid daar niets mee aanvangen in de praktische organisatie van de staat. En het is ook weinig waarschijnlijk dat de Afrikaanse transmigranten en asielzoekers uit Afghanistan tijdens de koude nachten tussen de betonnen pijlers onder het Noordstation in Brussel zitten te palaveren over hun voortaan gelaagde identiteit of over de verschillen tussen de Franse en de Angelsaksische verlichting.

Hardvochtige lui

De gemiddelde burger denkt er in elk geval het zijne van. Vorige zaterdag publiceerde de krant Le Soir een enquête waaruit bleek dat nagenoeg de helft van de Belgen de irreguliere vluchtelingen - en hun kinderen - wil terugsturen naar hun land van herkomst, zelfs al wacht hen daar een dictatuur. Als je de twijfelaars meetelt, kom je zelfs ruim boven 60 procent. Ook de rest van de peiling toont de Belgen als hardvochtige lui die zich weinig gelegen laten aan die grote verlichtingswaarden.

‘De afwerende houding van de Belgen is het gevolg van de vermeende culturele dreiging, de vrees ook voor het verlies van hun sociale en economische status’, duidde de socioloog Benoît Scheuer. Die angst wordt volgens hem nog eens aangejaagd door de identitaire retoriek van sommige politici. Maar Scheuers conclusie is er een uit de snelkeuken. Het asiel- en vluchtelingenprobleem wordt niet aangevoeld als een bedreiging van de sociale en economische status. Van enige uiting van racisme of vijandigheid is in het Noordstation geen sprake. Wat de gemiddelde forens wel beklemt als hij dagelijks door het stationsgebouw loopt, is afschuw voor de onterende omstandigheden waarin transmigranten aan hun lot worden overgelaten. Schaamte ook over een al jaren falende overheid, van de Europese en de federale tot de regionale en de gemeentelijke, die bij elk incident haar verantwoordelijkheid wegduwt. Terwijl specialisten, die onlangs het woord namen tijdens een Duits-Portugees overleg in Lissabon, eensluidend volhouden dat de migratiekwestie nog lang niet van de baan is.

Volgens de organisatie Recht op een dak zijn in het hoofdstedelijk gebied ruim 4.000 dak- en thuislozen, onder wie 612 kinderen, elke dag op zoek naar een onderkomen en naar voedsel.

De honderden transmigranten die in het Noordstation of in de aanpalende parken, portieken en ondergrondse garages schuilen, als ze al niet langs de autowegen zwerven, zijn niet de enigen die door Brussel dolen. Volgens de organisatie Recht op een dak zijn in het hoofdstedelijk gebied ruim 4.000 dak- en thuislozen, onder wie 612 kinderen, elke dag op zoek naar een onderkomen en naar voedsel. Hun aantal is de voorbije tien jaar verdubbeld. Ook in de rest van de Europese Unie stijgt het aantal daklozen zienderogen.

Om die problemen op te lossen volstaat het niet erudiet te citeren uit geleerde denkstukken over identiteit. Het gaat om het inpassen van een schaduwpopulatie van enkele miljoenen haveloze, vaak irreguliere migranten en lokale daklozen die zich in België en de rest van de EU vormt. Duitsland telt volgens minister van Onderwijs Anja Karliczek meer dan 6 miljoen analfabeten, van wie zowat de helft met een migratieachtergrond. Het heeft er alles van dat de nationale beleidsmakers én de influisteraars van de EU zijn gestopt met nadenken over oplossingen om het lot te verbeteren van die aanzwellende groep van mensen die het niet meer redden.

De burger, die op 26 mei moet gaan stemmen, beseft dat al het getheoretiseer over identiteit vaak onmacht, onkunde en zelfs bestuurlijke slordigheid maskeert. Buschauffeurs die weigeren te stoppen bij het Noordstation vanwege het onhygiënische vluchtelingenkamp dat zich daar heeft gevormd. Of de gebrekkige personeelsbezetting bij de Antwerpse justitie die een moordtragedie tot gevolg heeft. Elk van die incidenten tast de geloofwaardigheid van het beleid aan. De indruk groeit dat de overheid steeds minder de bescherming biedt die van haar mag worden verwacht. Dat zet de burger er niet meteen toe aan op de komende verkiezingsdag zijn stemplicht zorgvuldig na te komen.

Lees verder

Tijd Connect