column

Denkend aan Kigali

De genocide in Rwanda blijft ook na een kwarteeuw een bittere herinnering. Toch is er niets veranderd aan de manier waarop VN-vredesmissies worden aangepakt. Dat getuigt de Canadese generaal Roméo Dallaire, die er niet in slaagde de Rwandese tragedie te voorkomen.

De Canadese generaal Roméo Dallaire was onlangs voor een familiebezoek in Nederland, waar hij 73 jaar geleden werd geboren. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om de presentatie te steunen van ‘Oog in oog met de duivel’, de Nederlandse vertaling van ‘Shake Hands with the Devil: The Failure of Humanity in Rwanda’ uit 2003. Dat is zijn relaas van de Rwandese genocide precies een kwarteeuw geleden.

Volgens de intussen overleden Canadese journalist en schrijver Gil Courtemanche, auteur ook van het later verfilmde ‘Een zondag aan het zwembad in Kigali’, was dit het schandelijkste boek en een van de meest hartverscheurende ooggetuigenverslagen die hij ooit las. Jean-Marie Guéhenno, de Franse diplomaat en gewezen adjunct-secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN), nam in ‘The Fog of Peace’ de VN-vredesmissies onder de loep. Hij noemde Dallaire ‘de moedige Canadese generaal die in Rwanda door de internationale gemeenschap in de steek werd gelaten’.

Na al die jaren laat de Rwandese tragedie geen van de betrokken partijen los. Had België toch tussenbeide moeten komen om de moordpartijen te stoppen? ‘Tot vandaag blijft dit een brandende vraag, die we wellicht in onze geschiedenis blijven meedragen’, schrijft de diplomaat Frans van Daele in ‘Schaken met de macht’. In Frankrijk verschijnen geregeld echte of vermeende onthullingen. Onlangs publiceerde de Frans-Kameroense onderzoeker Charles Onana met ‘Rwanda, la vérité sur l’Opération Turquoise’, een heuse acte van beschuldiging tegen het huidige Rwandese regime van Paul Kagame, en tegen de ngo’s en de media die hem al jaren naar de mond praten. Het boek van Onana is de bewerking van zijn doctoraatsverhandeling, die hij eind 2017 met glans verdedigde voor de universiteit van Lyon.

In Frankrijk is de publieke opinie nog altijd verdeeld tussen Hutu’s en Tutsi’s. Onana wordt er door zijn tegenstanders als een negationist weggezet. Volgens hen leverde de Opération Turquoise wel degelijk hand- en spandiensten aan de organisatoren van de genocide, in tegenstelling tot wat Onana beweert. In elk geval hebben de Fransen, zoals ook generaal Dallaire volhoudt, enkele kopstukken van het oude Rwandese regime, dat de moordpartijen voorbereidde, in veiligheid gebracht in Frankrijk en België, waar sommigen van hen nog altijd ongehinderd verblijven. ‘De mensen die uiteindelijk werden veroordeeld, waren de achterblijvers’, verzekert Dallaire.

‘In de buurt van het Rwandese leger in Kigali opereerden destijds ook blanke huurlingen in Rwandees uniform’, vervolgt Dallaire. Hij verdenkt die ervan de hand te hebben gehad in het neerhalen van de Mystère-Falcon van de Rwandese president Juvénal Habyarimana. ‘Zo’n afweerraket bedienen vergt een bijzondere kunde, vooral bij nacht’, zegt Dallaire. Opmerkelijk: zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk hebben zich altijd verzet tegen een grondig onderzoek naar de daders van de moordaanslag.

Wie in de avond van 6 april 1994 het vliegtuig van Habyarimana neerhaalde, is een vraag die Dallaire niet langer bezighoudt. ‘Beide partijen waren voorbereid op de moordpartijen die volgden’, zegt hij. ‘De Franse Opération Turquoise was bedoeld als een offensieve operatie om het Rwandese Patriottisch Front (RPF) van Paul Kagame te stoppen, niet om de slachtingen te voorkomen. Ons werd verweten dat de United Nations Assistance Mission for Rwanda (UNAMIR) niets ondernam tegen het RPF. Kagame van zijn kant vertrouwde noch de UNAMIR noch de Fransen. Want, zo zei hij: ‘Jullie werken voor dezelfde baas: de Verenigde Naties.’ De UNAMIR volgde naar de letter het VN-mandaat: observe and assist. De uitvoering van de Arusha-akkoorden, daar kwam het voor de VN op neer.’

‘Ik heb nog geprobeerd dat mandaat te laten verruimen, omdat we informatie hadden over de voorbereidingen en de wapenopslag voor een confrontatie. Er zaten hardliners en gematigden in beide kampen. De extremisten in elk van die kampen wilden van een machtsdeling niet horen en waren uit op het elimineren van hun tegenstanders. Maar de VN weigerden het mandaat te wijzigen.’

Geen boel

Al snel beseften beide kampen: die blanke legerjongens zijn eigenlijk geen partij. ‘Daar had de Amerikaanse president Bill Clinton voor gezorgd, enkele maanden voor de genocide in Rwanda losbrak’, weet Dallaire. Na het bloedige Black Hawkincident in oktober 1993 in Mogadishu, tijdens de VN-operatie in Somalia, had Clinton de Amerikaanse troepen teruggetrokken. Nog later volgde zijn presidentiële richtlijn 25. Die kwam erop neer dat de VS alleen militair uitpakte als ’s lands belangen op het spel stonden.

‘Tot vandaag kennen ze in Afrika de gevolgen’, zegt Dallaire. ‘In Rwanda beseften de beide partijen dat ook. Het was alsof ze een gewapend treffen zochten met blanke troepen om dat aan te tonen.’ De onmiddellijke terugtrekking van de Belgische soldaten na de moordpartij op de tien Belgische para’s op 7 april 1994, daags na de aanslag op het vliegtuig van Habyarimana, was het bewijs dat ze zochten.

Op geen enkel moment heeft de toenmalige regering van Jean-Luc Dehaene (CD&V) contact opgenomen met generaal Dallaire om hem de beslissing over de terugtrekking van de Belgische VN-troepen te melden. ‘Kolonel Luc Marchal zat uren aan de telefoon om Brussel op betere gedachten te brengen en ze in België uit te leggen dat de terugtrekking desastreuze gevolgen zou hebben. Voor Luc kwam de terugtrekking neer op het in de steek laten van je kameraden in het zicht van de vijand.’

Na de aanslag op het vliegtuig van Habyarimana nam Kagame zijn tijd om met het RPF op te rukken naar Kigali. ‘De campagne van Kagame verdient opgenomen te worden in de militaire handboeken’, verzekert Dallaire. ‘Opgeleid in de VS en praktijkgeschoold in het Oeganda van Museveni toonde Kagame zich een meester in het low-intensity conflict. Hij spaarde zijn troepen, meed de brutale confrontaties. Hij oefende geduld, trok rond haarden van grote weerstand heen terwijl hij ze met mortiervuur bleef bestoken. Zijn bevoorrading met wapens en munitie al die maanden bestond vooral uit wat de vluchtende Rwandese troepen allemaal achterlieten, tot grote ergernis van hun Franse en Belgische instructeurs.’ Dat ook de RPF-soldaten moordpartijen aanrichtten, zoals Onana schrijft, wil Dallaire niet ontkennen.

Nadat Kagame in Kigali de macht had overgenomen, trokken zijn troepen verder naar Oost-Congo, waar ze amper tegenstand kregen, tot ze uiteindelijk voor Kinshasa stonden en Mobutu ten val kwam. ‘In Oost-Congo was de enige man met gezag de plaatselijke bisschop’, weet Dallaire, die intussen uitvoerig met VN-bevelhebbers in Congo heeft gepraat. Want er is nog niets veranderd in de manier waarop de VN-vredesmissies worden aangepakt. ‘Wat de commandanten in Congo allemaal meemaken, drijft elke beroepsmilitair tot wanhoop. Na Rwanda werden wel nieuwe plannen op papier gezet. Alleen hebben de westerse politici niet de moed ze uit te voeren.’

In Oost-Congo gaan de moordpartijen door, vaak onder de ogen van de VN-gezanten. In Brussel doen de Belgische regering en de Europese machthebbers intussen alsof Congo met Felix Tshisekedi een democratische verkozen president aan de macht is, en geen kleptocratie. De Belgische Congopolitiek gaat nog altijd niet verder dan de opdracht die premier Dehaene destijds aan de diplomaat Frans van Daele gaf: ‘Geen boel!’

Lees verder

Tijd Connect