column

Eigen schuld

De verkiezingsoverwinning van de Deense sociaaldemocraten bleek er geen te zijn. De Europese socialisten raken niet uit de miserie. Hadden ze maar geluisterd naar Pierre Mendès France.

In ‘Dwarsgedachten’, het recent verschenen interviewboek van journalist Jan Lippens, legt sp.a-veteraan Louis Tobback de vinger op de zere plek: ‘De schande van de sociaaldemocratie in West-Europa en ook een van de redenen waarom die partijen er zo belabberd voor staan, kun je in Italië vinden. Daar doen een driekwart fascist als Matteo Salvini en een honderd procent populist als Luigi Di Maio wat geen enkele Europese regering met socialisten heeft gedurfd, namelijk de EU met haar begrotingsnormen en harde besparingsmaatregelen wandelen sturen en de laagste lonen en de leeflonen flink verhogen. Dat is toch om ziek van te worden als socialist? We hebben de ideologische veren van Wim Kok niet afgeschud, ze werden van ons vel geplukt.’

Na het debacle van 26 mei, waarbij zijn partij sp.a zich nog net boven de grens van 10 procent klauwde, is Tobback kennelijk de enige die de realiteit onder ogen ziet: dit Europa is bezig de sociaaldemocratie te vermalen.

Bijzonder pijnlijk was de wijze waarop de Nederlandse PvdA-kameraad Jeroen Dijsselbloem zich in de Griekse crisis aanstelde als de suppoost van de Europese banken door de gewone Griek te kraken met draconische besparingen, ontslagen, loonsverlagingen, halvering van pensioentjes en het opdoeken van overheidsdiensten. ‘Wat is daar socialistisch aan?’ vraagt Tobback zich af.

Vorige week klampten enkele Vlaamse socialisten zich vast aan de zogenaamde verkiezingszege van de Deense sociaaldemocraten. Die hadden naar het voorbeeld van rechts en zelfs extreemrechts hun migratiediscours verhard. Bij nader toekijken kwam de overwinning van de Deense sociaaldemocraten zelfs neer op een licht verlies. Toch werd hier in sp.a-kringen al meteen geopperd maar beter het voorbeeld te volgen van Mette Frederiksens, de aanvoerster van de Deense sociaaldemocraten. Een van de weinige tegenstemmen was die van Matthias Somers, wetenschappelijk medewerker van de linkse denktank Minerva. In een opiniestuk in De Morgen bestempelde hij het Deense voorbeeld als ‘een uitverkoop van de sociaaldemocratie’.

Die uitverkoop is evenwel al langer aan de gang in heel Europa. Met zijn Hartz-maatregelen heeft kanselier Gerhard Schröder de Duitse economie opnieuw gekalibreerd, maar ook een aantal pijlers vanonder het Duitse sociale model weggeslagen en tegelijk vanonder zijn sociaaldemocratische partij SPD. Vandaag is Schröder een vorstelijk betaalde bestuurder van vennootschappen, onder meer van het Russische Gazprom.

Mitterrand, Schröder, Blair

Een ander wonderkind van de Europese sociaaldemocratie was Tony Blair, die in de Verenigde Staten bij Bill Clinton de Derde Weg ontdekte - een neoliberale omweg zeg maar. Volgens de bekende Engelse journalist Simon Jenkins waren Tony Blair en zijn New Labour-adepten ‘de kinderen van Margaret Thatcher’. Want zij zetten volgens hem haar werk gewoon voort.

In 1997 won Labour de Britse verkiezingen met een landslide van 63 procent van de uitgebrachte stemmen. In werkelijkheid kreeg Blair nauwelijks een derde van de Britse kiesgerechtigden achter zich. In 2001 zakte dat aantal naar amper een kwart van de kiezers en in 2005 zelfs naar 22 procent. De zwakte van de Conservatieven en de economische boom, die begon onder de regering van de Conservatieve premier John Major en die duurde tot 2008, hielden Labour aan de macht. Maar nog voor de nederlaag van 2010 voorspelde Tony Wood in de New Left Review: ‘New Labour, opgeruimd staat netjes.’ Want het economische model van New Labour lag in puin, oordeelde Wood terecht. De gevolgen zijn bekend: vandaag is Labour met Jeremy Corbyn grotendeels in handen van kleinlinks en hopeloos verdeeld, zoals blijkt uit de brexitopstelling van de partij. Blair verzilvert intussen tegen forse gages zijn adresboek.

Een PS in chaos en een almaar aansterkend Front National was de erfenis van de meestercynicus en door vleiers omringde François Mitterrand in Frankrijk. De Franse PS, ooit een van de bakens van het Europese socialisme, heeft zich nooit hersteld van zijn presidentschap en is zo goed als van de politieke kaart geveegd.

Louis Tobback is kennelijk de enige die de realiteit onder ogen ziet: dit Europa is bezig de sociaaldemocratie te vermalen.

In Italië slaagde Matteo Renzi er niet in de sociaaldemocratie boven water te krijgen. Niet alleen gaat het Italiaanse socialisme, net als de christendemocratie overigens, nog altijd gebukt onder een verleden van politieke corruptie waarvan Bettino Craxi de sinistere architect was. Het met schulden beladen Italië wordt als geen ander euroland ingesnoerd door het korset van de Europese muntunie. Het bruto minimumjaarloon steeg in Italië nauwelijks, van 28.939 euro in 2001 naar 29.214 in 2017. Wat de opmars verklaart van de antisysteempartijen als Vijfsterrenbeweging en de extreemrechtse Lega Nord, die nu regeren en de confrontatie aangaan met de Europese Unie.

Voor een dergelijke confrontatie schrikken de Europese sociaaldemocraten terug, uit angst als anti-Europees te worden afgedaan. Als al naar de rol van Europa in de sociale afbouw wordt verwezen, dan gebeurt dat in zeer omzwachtelde bewoordingen. Een mooi voorbeeld daarvan is ‘Fundamenten. Sociale zekerheid in onzekere tijden’, een bundel opstellen uitgegeven door de denktank Minerva. Daar heeft academica Bea Cantillon het over de nood aan Europese samenwerking om de structurele tekortkomingen van de sociale zekerheid te overwinnen. Dat is voorzichtig geformuleerd. Want in haar bijdrage moet ze ook toegeven dat ze binnen de EU niet wakker liggen van de EU 2020-doelstellingen, zoals het wegwerken van de armoede, die niet worden gehaald. Als het op begrotingstekorten aankomt, is de EU veel radicaler dan met de Europese Pijler voor Sociale Rechten, die wordt gezien als ‘een kompas’.

Cantillon stelt nochtans vast dat de sterk gestegen armoede bij gezinnen die het meest afhankelijk zijn van de sociale zekerheid in België en elders in Europa wijst op een structureel probleem dat de mogelijkheden van het beleid van de nationale welvaartsstaten overstijgt. Of zoals ze schrijft: ‘Aan de onderkant van de samenleving zien we overal toenemende kwetsbaarheid. Technologie, globalisering en de Europese monetaire unie dwingen daarom tot een grondige herdefiniëring van de welvaartsstaat: de naoorlogse ‘nationale’ consensus moet naar een hoger niveau – het Europese – worden getild.’

Dat laatste is zeker niet voor meteen. Want Europa en zeker de monetaire unie zijn daar niet op voorzien. En eigenlijk hoorden de sociaaldemocraten dat te weten. Pierre Mendès France, een iconische figuur van het Franse socialisme, waarschuwde in januari 1957, omzeggens aan de vooravond van de ondertekening van het Verdrag van Rome, voor de gevaren van een constructie als de Europese Economische Gemeenschap, nu EU: het verlies van soevereiniteit, maar vooral de sociale afbraak, de race naar beneden inzake lonen van de werknemers en van de belastingen voor bedrijven.

En hij besloot: ‘Het opgeven van de democratie kan op twee manieren: met een interne dictatuur door de volledige machtsoverdracht aan een sterke man, of door de toevlucht tot een externe autoriteit, die om beleidstechnische redenen de werkelijke macht krijgt. Want in naam van een gezonde economie is het gemakkelijk een monetaire, budgettaire en sociale politiek op te leggen en uiteindelijk ook een politiek in de meest brede betekenis, zowel nationaal als internationaal.’ Het zal niemand verwonderen dat die toespraak van Mendès France zelden of nooit wordt aangehaald in de EU-geschiedenis.

Lees verder

Tijd Connect