column

Paleis der Natie | Harde tijden voor Nederlandstalige Brusselaars

België 2 + 2? Of België met liefst vier deelstaten? Wordt artikel 35 van de grondwet eindelijk ingevuld? Er komen harde tijden voor de Nederlandstalige Brusselaars.

‘Sinds kort ben ik gewonnen voor de toepassing van artikel 35 van de Belgische grondwet. Zo veel mogelijk bevoegdheden moeten naar de deelstaten. Alleen wat niet anders kan, blijft nog federaal. Anders krijgen we nooit homogene bevoegdheidspakketten, en dus een performante overheid.’

Het was voor nogal wat Wetstraatbewoners even slikken toen ze eind vorig jaar kennisnamen van het Knack-interview met KU Leuven-emeritus André Alen, grondwetspecialist en pas gepensioneerd voorzitter van het Grondwettelijk Hof. Hier was de gewezen kabinetschef van de christendemocratische premiers Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene aan het woord, de man die in 1990 in de abortuscrisis uitgelokt door koning Boudewijn met een constitutionele pirouette de monarchie en zelfs het land redde. Professor Alen is allerminst een communautaire bommenlegger.

Artikel 35 werd in 1994 in de grondwet ingeschreven op eis van VU-voorman Hugo Schiltz, in ruil voor de steun van zijn partij aan de grote staatshervorming van Dehaene. Het nooit ingevulde artikel bepaalt dat alle bevoegdheden worden overgeheveld naar de deelstaten, behalve die door de grondwet nadrukkelijk aan de federatie worden toegewezen. Er moet alleen nog een lijst van die resterende federale bevoegdheden worden opgemaakt.

In het bewuste interview ging Alen nog verder. Hij toonde zich ook een voorstander van een België met vier regio’s: Vlaanderen, Brussel, Wallonië en Ostbelgiën. Hij oordeelde zelfs dat vroeg of laat de fundamentele discussie over de sociale zekerheid moet worden gevoerd. Want de covidcrisis heeft ook Alen geconfronteerd met het constitutionele imbroglio. Zoals hij zelf zei: ‘Geen tien mensen in het land begrijpen de bevoegdheidsverdeling in de gezondheidszorg.’

Zoals grondwetspecialist André Alen eerder zei: ‘Geen tien mensen in het land begrijpen de bevoegdheidsverdeling in de gezondheidszorg.’

Hetzelfde geldt volgens hem voor de bijzondere financieringswet. Alens bedenkingen lopen gelijk met die van Brussels minister-president Rudi Vervoort (PS), die enkele maanden geleden al verzekerde dat niets nog werkt in dit land, en al zeker niet in zijn eigen gewest. Daarmee benadrukte hij wat al was vastgesteld door toenmalig CD&V-vicepremier Koen Geens en Egbert Lachaert, al heeft die dat niet meer herhaald sinds hij als Open VLD-voorzitter in de huidige federale coalitie stapte.

Door de sanitaire crisis leek het communautaire dossier naar de achtergrond verschoven. Een foute indruk. In Wallonië pakte het Institut Destrée uit met de publicatie ‘Le conféderalisme, spectre institutionnel’, een denkoefening van Philippe Destatte, de ook in Vlaanderen bekende directeur van het instituut. In zijn boek tekent Destatte een plan voor een België met vier evenwaardige gewesten. Dat voorstel werd eerder al in Vlaanderen aangeprezen door de grondwetspecialist Robert Senelle en de sp.a’er Johan Vande Lanotte. Dat model leeft intussen volop bij de meerderheid van de Waalse regionalisten en al zeker bij PS-voorzitter Paul Magnette. Op die manier willen zij eindelijk af van de Franse Gemeenschap, om onderwijs en cultuur in de Waalse bevoegdhedenmand te krijgen.

De denkoefening over een België 2 + 2 die minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) voor Gentse studenten maakte, doorkruist het scenario van de Waalse regionalisten. Verlinden, die Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing onder haar bevoegdheden heeft, grijpt terug naar de oude Vlaamse opstelling, die van onder anderen gewezen minister-president Luc Van den Brande, waarbij de gemeenschapsband met Brussel wordt bewaard.

Al is die band de voorbije decennia almaar losser geworden. Eigenlijk gaat het alleen nog om de subsidiëring van de Vlaamse minderheid in Brussel voor vooral onderwijs en cultuur, die de Nederlandstalige Brusselaars kennelijk als verworven beschouwen. Je ziet zelfs dat Vlaamse ministers in de Brusselse regering, zoals Sven Gatz (Open VLD), Elke Van den Brandt (Groen) en Pascal Smet (sp.a/Vooruit), nauwelijks of niet protesteren als de gemeentelijke overheden de taalwetten overtreden. Waardoor de vereiste tweetaligheid van Brusselse ambtenaren fictie is geworden.

Swahili

Destijds heeft Dehaene, als loodgieter van de laatste regering van Martens, een koehandel gesloten met Philippe Moureaux: Brussel als bijna volwaardig gewest in ruil voor het opzijzetten door de PS van José Happart, de Voerense stokebrand. Sindsdien is de belangstelling van de Vlaamse partijen voor Brussel weggedeemsterd. CD&V probeert nu als enige een schijn van bezorgdheid op te houden.

Zelfs de houding van de N-VA is zeer kwestieus. Veel meer dan de kreet dat Brussel de hoofdstad van Vlaanderen is, valt daar niet te vernemen. De belangstelling van voorzitter Bart De Wever voor het hoofdstedelijk gebied is nooit opgevallen. Onlangs nog in een openhartig gesprek met Le Soir kwam Theo Francken niet verder dan de vraag: ‘Wil Brussel wel de hoofdstad van België en van Vlaanderen zijn?’ De rest van zijn uiteenzetting over het belang van Brussel, waar Vlaanderen een pak geld naartoe pompt, bleef vaag.

Sinds de afspraak tussen Dehaene en Moureaux weten de Vlamingen niet goed wat ze met dat hybride gewest aan moeten. Men windt zich op over de Brusselse stadstolplannen, maar weigert voor de pendelaars de verbindingen met de eigen hoofdplaats te versterken via aansluitingen vanuit de rand op het hoofdstedelijk metronet.

De openhartigste van alle Vlaamse politici was Schiltz, die aan het einde van zijn leven in een Doorbraak-interview zei: ‘De enige oplossing is dat men van Brussel een kosmopolitisch gebied maakt, wat het de facto aan het worden is. Men moet aan Nederlandstaligen en Franstaligen een grondwettelijk verankerde positie geven en een actief voorzieningsnet uitbouwen. Maar denken dat die stad deel kan uitmaken van het Vlaamse land is een illusie.’

‘Men zal moeten teruggrijpen naar dat bijna-akkoord dat we in de jaren zeventig hadden. (het Egmont-akkoord, red.) Een kleine hertekening van die grenzen kan het realiseren van een Vlaamse soevereiniteit versnellen. Laat de Brusselaars van welke aard ook, bruin, geel of zwart, of ze nu Swahili, Engels, Frans, Nederlands of Duits spreken, zelf hun stad besturen. Voor zoiets gaan we trouwens bij de niet-Franstaligen bondgenoten vinden.’

De stelling van Schiltz, die in een België met vier past, plaatst de Nederlandstalige Brusselaars voor een dwingende keuze: houden ze vast aan een politieke band met het Vlaams Gewest? Of vinden ze inderdaad, zoals Luckas Vander Taelen al vaker waarschuwde in De Tijd, dat het intussen kosmopolitische Brussel een volwaardig gewest moet worden? Dat laatste heeft verstrekkende (financiële) gevolgen voor het Nederlandstalige onderwijs en de Nederlandstalige cultuur en jeugdwerking, die dan afhankelijk worden van het armlastige Brussels Gewest.

De consequenties van een confederaal België met vier zijn niet min. In Wallonië wordt ervan uitgegaan dat de federatie in dat geval de sociale zekerheid en de schuld voor haar rekening blijft nemen. Terwijl de Vlamingen net de financiële autonomie willen. Dat vergt niet alleen een nieuwe bijzondere financieringswet, maar heeft ook als gevolg dat de gewesten hun deel van de verantwoordelijkheid voor de Belgische schuld op zich nemen. Daar wordt tot nu in alle talen over gezwegen. De kans is groot dat de Franstalige bevlieging om tot een confederatie met vier te komen snel verdwijnt als de verantwoordelijkheid voor de Belgische schuld - 420 miljard euro - op de onderhandelingstafel komt.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud