column

Grote verbouwingen

De traditionele partijen hebben samen geen meerderheid meer om de federale formatie te sturen. Net nu het land moet worden verbouwd en de oude denkramen niet langer een uitkomst bieden. Herverkavelen, iemand?

Alles verandert, behalve de manier waarop we geregeerd worden. Een kwarteeuw geleden kreeg RTBF-journalist Jean-Claude Defossé landelijke bekendheid met ‘Le journal des travaux inutiles’. Zijn hilarische reportages, waarvan de VRT er enkele toonde, loodsten de verbouwereerde kijker langs nutteloze bouwwerken: bruggen die niets verbonden, stukken snelweg nergens naartoe, verkeerswisselaars die uitmonden in akkers, nieuwe maar ongebruikte metrostations, uitgestrekte parkeergarages zonder auto’s.

Voor wie die betonnen miljardenverspillingen ter plekke wilde inspecteren, publiceerde Defossé een handige toeristische gids, die hoog op de bestsellerlijsten eindigde. Maar op geen enkel moment in de reportageserie van Defossé, die later bij Ecolo verdwaalde, werd de vraag gesteld wie op welk beleidsniveau verantwoordelijk was voor al die bestuurlijke miskleunen. Want zo gaat dat in de Wetstraat: uiteindelijk is niemand verantwoordelijk. Het is overigens een vraag die ook niet rijst bij de politieke partijen die vandaag als verlamd naar de formatieperikelen staren.

Met dezelfde achteloosheid waarmee de nutteloze infrastructuurwerken werden aangevat, werd het land de afgelopen decennia tot een stilstand hervormd. Wat ooit als ingenieuze constitutionele loodgieterij werd voorgesteld - en zelfs geprezen, blijkt niet meer te werken.

Eerder dit jaar publiceerden de Leuvense grondwetspecialisten Stefan Sottiaux en Karel Reybrouck een indrukwekkend monnikenwerk, waarin voor het eerst de bevoegdheden van de federale overheid overzichtelijk in kaart werden gebracht. Daaruit blijkt dat de zesde en voorlopig laatste staatshervorming de grondwettelijke verwarring alleen maar heeft vergroot. Zoals Sottiaux het samenvat: ‘In België is iedereen voor alles bevoegd maar nooit helemaal.’ Elke staatshervorming leverde nieuwe institutionele koterij af. De geschiedenis van de grondwetsherzieningen is een lang snoer van ingewikkelde en vaak ondoorzichtige afspraken over de verdeling van geld en van bevoegdheden, maar zelden van verantwoordelijkheid.

Zo kom je dan tot koddige situaties. Zonder in lachen uit te barsten beweerde minister Maggie De Block in een kerstinterview: ‘We zullen ernstig werk moeten leveren om ons land weer op de rails te zetten.’ Haar partij, Open VLD, zat de voorbije twintig jaar onafgebroken in de federale regering.

Onlangs signeerden de traditionele partijen, samen verantwoordelijk voor de uitzichtloosheid, onverstoord een pact voor meer België voorgelegd door de tricolore beweging B Plus. Uitgerekend de partijen die met hun staatshervormingen de toenemende verdamping van België bewerkstelligden.

Die huidige uitzichtloosheid dateert feitelijk al van het einde van Paars, toen premier Guy Verhofstadt meldde dat het geld op was en toenmalig begrotingsminister Guy Vanhengel in een kranteninterview verklapte dat het land eigenlijk failliet was.

Sindsdien stoot de Belgische machinerie veel stoom uit, maar ze levert nauwelijks trekkracht. De zesde staatshervorming met de bijbehorende bijzondere financieringswet, het resultaat van een 541 dagen durende formatiecrisis, blijkt geen oplossing te hebben gebracht.

Veranderingen in de marge

De N-VA kreeg in de coalitie rond premier Charles Michel (MR) nooit vat op het Belgische systeem. De beloofde ‘kracht van verandering’ bleek een illusie. Al snel ondervond de partij dat de rommelige Belgische werkelijkheid hardnekkiger is dan de Vlaams-nationale theorieën, en dat een electorale overwinning niet volstaat om te overtuigen.

In een openhartig interview in De Standaard gaf Herman De Bode, gewezen kabinetschef van Jan Jambon, toe: ‘Wat heeft de N-VA tijdens de vorige legislatuur ten gronde veranderd? Ik kan niets opnoemen.’ De partij bleek ook niet uitgerust om aan de beloofde grote verbouwingen te beginnen. Zelfs de taxshift en de verlaging van de sociale bijdragen van 31 naar 25 procent waren volgens De Bode weinig meer dan ‘veranderingen in de marge’. Zijn bekentenis zit alleszins dichter bij de waarheid dan wat gewezen premier Michel volhoudt: dat zijn regering 312.000 nieuwe banen heeft gecreëerd. Dat ruim de helft daarvan deeltijdse en tijdelijke banen zijn, laat hij onbesproken.

In de voorbije regeerperiode werden de patronale bijdragen volgens het Planbureau met 3 miljard euro per jaar verlaagd, en daalde de vennootschapsbelasting met 2,4 miljard per jaar. Die 5,4 miljard voor het bedrijfsleven betekent dat elke voltijdse baan fors werd gesubsidieerd. Dat alles in naam van de concurrentiekracht. Terwijl de bedrijven de indexsprongen en de taxshift vooral gebruikten om hun winsten op te krikken, schrijft nu ook de Nationale Bank van België. Bovendien blijken de Belgische exporteurs nog eens internationaal marktaandeel te verliezen.

Michel heeft met zijn regering zowat alle adviezen van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid en van de Hoge Raad van Financiën in de wind geslagen. De Hoge Raad voor Werkgelegenheid benadrukte in 2016 dat de regering alles moest inzetten op de activering van de werkgelegenheidsgraad. Wat niet is gebeurd. Sterker nog, in 2014, waarschuwde de Hoge Raad van Financiën: ‘De financiering van een daling van de ondernemingsbelasting naar 25 procent vereist het afschaffen van de aftrek voor risicokapitaal, het raken aan de aftrekbaarheid van kosten en het verhogen van het tarief van de roerende voorheffing.’

Het belangrijkste resultaat van de eigenzinnigheid van de regering-Michel is intussen duidelijk: de onderfinanciering van de sociale zekerheid.

Het belangrijkste resultaat van de eigenzinnigheid van de regering is intussen duidelijk: de onderfinanciering van de sociale zekerheid. Die stond al onder druk door de begrotingsoekazes van Europa, zeker in de Eurolanden. De regering-Michel deed de rest. Volgens de berekeningen is voor 2019 zo’n 2,9 miljard euro nodig om het systeem overeind te houden, in 2020 zelfs 3,5 miljard. Maar door de wet van 2017 valt vanaf 2021 de zogenaamde evenwichtsdotatie weg, goed voor 2,11 miljard. Het kwalijke gevolg van dat wegvallen is dat bij een ongewijzigd beleid de sociale zekerheid tegen 2024 afstormt op een pijnlijk tekort van om en bij 6 miljard euro. In al het gedaas rond de federale formatie moet het eerste woord daarover nog vallen.

De enige die voor de gevolgen waarschuwde, was de 80-jarige Michel Jadot, gewezen voorzitter van de socialistische ziekenfondsen Solidaris en een van de knappe koppen in de PS. Hij was het die destijds de gezondheidsindex bedacht om de saneringspolitiek van Jean-Luc Dehaene te stutten.

De indexsprongen en de verlaging van de patronale bijdragen en de vennootschapsbelasting hebben er volgens Jadot niet alleen voor gezorgd dat de Belgische begroting lekt als een mandje, ze hebben ook de sociale zekerheid allengs drooggelegd. En hij voorspelt dat de gezondheidszorg binnen vijf jaar wordt gesplitst of geprivatiseerd. Als dat laatste de bedoeling is, zoals Jadot vermoedt, zullen de Vlaamse traditionele partijen maar ook de N-VA toch eens aan de Vlaamse kiezers moeten uitleggen waar ze naartoe willen met de sociale zekerheid, het enige maatschappelijke bindmiddel. Want een noodlijdende sociale zekerheid blijft noodlijdend ook nadat ze is gesplitst.

Om de electorale gevolgen van een falende sociale zekerheid op te vangen zal meer nodig zijn dan de invoering van een meervoudig stemrecht of een herverkaveling van het partijlandschap.

Lees verder

Gesponsorde inhoud