opinie

Kuifje als econoom

Robert Triffin correspondeerde met Charles de Gaulle, adviseerde John F. Kennedy, ondersteunde Jean Monnet en inspireerde de bankier Fernand Collin. Eindelijk is er de biografie van de briljante Belgisch-Amerikaanse econoom.

Robert Triffin hield niet van voorspellingen. Zoals de Nederlandse academicus en PvdA-ideoloog Bart Tromp legde hij de oorzaak van veel ellende bij de neiging van westerse staten om hun economisch beleid te baseren op theorieën en voorspellingen die weinig te maken hebben met de werkelijkheid. Een en ander blijkt uit ‘Robert Triffin. A Life’, de ongemeen boeiende biografie van de Belgisch-Amerikaanse econoom geschreven door professor Ivo Maes, senior advisor bij de Nationale Bank van België, in samenwerking met de Italiaanse academica Ilaria Pasotti. In zijn voorwoord zegt de gewezen directeur-generaal van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) Jacques de Larosière over Triffin dat die zijn inzichten haalde uit feiten en uit betrouwbare statistieken.

Voor velen blijft Triffin de cassandra die in 1957 al het onvermijdelijke einde van het Bretton Woods-akkoord aankondigde.

Voor velen blijft Triffin de cassandra die in 1957 al het onvermijdelijke einde van het Bretton Woods-akkoord aankondigde, luttele jaren na het van stapel lopen van het systeem dat een nieuwe economische orde en de naoorlogse heropleving moest schragen. Het akkoord, genoemd naar het vakantieoord in de heuvels van New Hampshire in de Verenigde Staten, werd eind 1944 onderschreven door 44 landen, maar het slotakkoord was het werk van de Britse econoom John Maynard Keynes en de Amerikaanse topambtenaar van Financiën Harry Dexter White.

Het Bretton Woods-akkoord voorzag in de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank. Het installeerde de dollar als reservemunt gekoppeld aan een vaste goudpariteit: 35 dollar voor 1 ounce goud. Triffin zag al snel het dilemma, dat later naar hem werd genoemd. Dat bestond erin dat de VS als houder van de reservemunt verplicht werd de wereldmarkt te voorzien van steeds meer dollars, terwijl al die dollars op elk moment inwisselbaar moesten blijven tegen een vaste prijs in goud. Dat kon alleen maar fout lopen, ook omdat de VS niet weerstond aan de drang om elk handelstekort weg te werken door dollars bij te drukken, en dat met een slinkende gouddekking.

Pornoboekje

In 1960 motiveerde Triffin zijn waarschuwing omstandig in zijn boek 'Gold and the Dollar Crisis'. In die dagen werd het in kringen van economen en de gangmakers van de Europese Economische Gemeenschap sluiks doorgegeven als gold het een pornoboekje, zo getuigde zijn Franse IMF-collega en later Europees topambtenaar Frédéric Boyer de la Giroday. Het Amerikaans congres sommeerde Triffin, die toen in Yale doceerde, om zijn boude beweringen te komen toelichten.

Nadat zijn Europese collega’s hem hadden aangeklampt over de manier waarop de Amerikanen de dollarpers lieten draaien, maakte John Connally, de minister van Financiën onder president Richard Nixon, zijn vaak aangehaalde bedenking: ‘De dollar is onze munt en uw probleem.’ Toen de goudprijs op de vrije markt naar 40 dollar per ounce steeg, kreeg Triffin gelijk: het Bretton Woods-systeem ging door het plankier. In augustus 1971 koppelde de Amerikaanse president Richard Nixon de dollar los van de goudprijs. Voor valutaspeculanten braken gouden tijden aan. Voor beleidsmakers, die er de oliecrisis bovenop kregen, werden het jaren van grote onzekerheid.

Triffin veroordeelde het Amerikaanse krijgsoptreden in Vietnam en het gebruik van de dollarpers om die oorlog te financieren.

Ontgoocheld in het Amerikaanse buitenlands optreden keerde Triffin enkele jaren later definitief terug naar België en nam hij opnieuw de Belgische nationaliteit aan. Hij veroordeelde het Amerikaanse krijgsoptreden in Vietnam en het gebruik van de dollarpers om die oorlog te financieren. In heel zijn carrière trok Triffin een morele grens. Hij werd daarvoor geprezen door onder meer zijn vriend James Tobin, een al even befaamde econoom. Tijdens zijn studententijd in Leuven al behoorde Triffin tot L’Avant-Garde, een groep van progressieve katholieken, en toonde hij zich een militant pacifist.

Toch bleef hij, net als Jean Monnet en andere Europese voortrekkers, een atlanticus die een nauwe samenwerking tussen Europa en de VS bepleitte. In die zin was het geen toeval dat hij optrad als economisch adviseur van Monnets Actiecomité voor de Verenigde Staten van Europa, dat overigens via de Ford Foundation door de Amerikaanse overheid werd gesteund.

 Fluisteradviseur

Toen zijn 'Gold and the Dollar Crisis' verscheen, was Triffin al een internationale ster onder de economen. Hij stapte de wijde wereld in als de zoon van een slager en veefokker uit het Henegouwse Flobecq (Vloesberg). Na briljante universitaire studies in Leuven, waar hij onder de hoede van professor Léon-Hugo Dupriez de berekeningen maakte voor de devaluatie van 1935, trok hij aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog naar de VS. Hij trouwde er en koos voor de Amerikaanse nationaliteit. Zijn academische carrière bracht hem van Harvard naar Yale, en tegelijk maakte hij furore als Federal Reserve- en naderhand als IMF-adviseur. Hij correspondeerde met de Franse president Charles de Gaulle, adviseerde de Amerikaanse president John F. Kennedy, inspireerde bankiers als Fernand Collin, de architect van de naoorlogse Kredietbank, en was een intimus van Jean Monnet en van al wie rond de wieg van de Europese Unie stond.

 In 1977 keerde hij terug naar België als een ‘raadgever van prinsen’ zoals de titel van een bundel autobiografische geschriften aangeeft. Als brein achter de Europese Betalingsunie, die de economische heropleving van de Europese Economische Gemeenschap bespoedigde, en als vormgever van de ECU, de korfmunt die de euro voorafging, werd hij geregeld als fluisteradviseur opgevorderd door tal van Europese regeringsleiders en centraal bankiers zoals zijn vriend Hubert Ansiaux, de gouverneur van de Nationale Bank van België. Triffin, die om zijn haarsnit weleens de Kuifje onder de economen werd genoemd, inspireerde tal van jongere academici, zoals Paribas-bestuurder Jean-Paul Abraham na Triffins overlijden in 1993 getuigde in De Financieel-Economische Tijd.

Triffin droomde als een heuse utopist van een globale centrale bank en een wereldmunt.

In de portrettengalerij ‘Architects of the Euro’, die hij samen met zijn Britse collega Kenneth Dyson publiceerde, borstelde Ivo Maes al een uitgebreid profiel van Triffin.  ‘Robert Triffin. A Life’ werd uitgegeven bij de prestigieuze Oxford University Press en is de eerste echte biografie van de Belgisch-Amerikaanse econoom die in de VS werd geprezen om zijn prachtige Engels en voor de geestigheden waarmee zijn economische denkstukken doorspekte. Zo raadde hij de lezer in ‘Europe and the Money Muddle’ aan om maar meteen naar de grafieken en statistieken achteraan te gaan kijken, kwestie van zich de lectuur van het boek te besparen. In ‘Gold and the Dollar Crisis’ maakte hij zich vrolijk over de absurde menselijke verspilling om in verre buitenlanden goud te gaan opgraven om dat dan meteen opnieuw te verstoppen in daartoe gegraven diepe krochten en het zwaar te bewaken. Al vond hij die vlottende wisselkoersen, als gevolg van het in elkaar klappen van Bretton Woods, ook maar niks.

Triffin droomde als een heuse utopist van een globale centrale bank en een wereldmunt. Het er nooit van gekomen. Maar tot zijn dood bleef hij een optimistische cassandra. Of zoals de Larosière in zijn voorwoord bij de Triffin-biografie schrijft: ‘Vandaag ondervinden we nog altijd de gevolgen van het in elkaar klappen van het Bretton Woods-systeem waar Triffin voor waarschuwde.’ Dat goedkoop geld in de weg staat van structurele hervormingen, is een van die waarschuwingen die Europese regeringen in de wind blijven slaan.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud