column

Na de moord op Cools: het einde van een generatie

Dertig jaar geleden, in de ochtend van 18 juli 1991, werd André Cools neergeschoten. Hij was de voorman van de Luikse Parti Socialiste. Het moordonderzoek reveleerde corruptiezaken die de Belgische politieke wereld op haar grondvesten deed daveren.

‘Kerel, wij behoren niet tot de soort die in zijn bed sterft.’ Dat zei André Cools tegen zijn goede vriend Paul Vanden Boeynants, nadat die twee jaar eerder was ontvoerd. Wat hemzelf betrof kreeg hij gelijk.

Op donderdagochtend 18 juli 1991 verliet de 63-jarige Cools rond 7.25 uur het flatgebouw La Colline langs de Luikse Avenue de l’Observatoire, in het gezelschap van zijn jonge vriendin Marie- Hélène Joiret. Hij was op weg naar zijn geparkeerde auto, toen een van de twee ongemaskerde mannen die uit het struikgewas stapten, het vuur opende. Zijn eerste schot trof Cools vlak boven het strottenhoofd en sneed door de hoofdslagader. Met een tweede treffer in de nek werd Cools afgemaakt. De toesnellende Joiret werd zwaar verwond door een derde kogel.

Onderzoekers hielden meteen rekening met een politieke moord. De aanslag riep herinneringen op aan de executie van de communist Julien Lahaut die in 1950 ‘Vive la république’ zou hebben geroepen bij de eedaflegging van Boudewijn als koninklijke prins. Die politieke piste bracht onderzoeksrechter Véronique Ancia al snel bij corruptiezaken die de Belgische politieke wereld op zijn grondvesten deden daveren. Want zonder de moord op Cools zou het smeergeldschandaal rond de aankoop van Agusta-gevechtshelikopters door het Belgische leger en het opkalefateren van de oude Mirages door de Franse vliegtuigbouwer Dassault wellicht nooit aan het licht zijn gekomen.

Een politiek-financieel schandaal van die omvang had het land niet meer geteisterd sinds de Tweede Wereldoorlog. Als al eens sprake was van affaires, dan werden die vakkundig afgedekt. De betrokken politici verdwenen discreet van het toneel of het onderzoek sleepte zich naar verjaring. In het ergste geval incasseerden hun medewerkers of mindere politieke goden de klappen. ‘De zekeringen laten smelten’, heette dat in de Wetstraat.

De moordenquête en het corruptieonderzoek veroorzaakten een politieke ravage.

De moordenquête en het corruptieonderzoek veroorzaakten een politieke ravage. Op 23 december 1998 sprak het Hof van Cassatie zware straffen uit tegen NAVO-secretaris en gewezen minister van Economische Zaken Willy Claes, voormalig minister van Defensie Guy Coëme en gewezen PS-voorzitter Guy Spitaels. Samen met hen werden een aantal kabinets- en partijmedewerkers, een zakenadvocaat en de Franse vliegtuigbouwer Serge Dassault veroordeeld.

Maar de smeergeldzaak hield geen verband met de moord op Cools. Die werd beraamd door Luiks geboefte rond Richard Taxquet, een gewezen rijkswachter die als secretaris op het kabinet van minister Alain Van der Biest werkte. Uitgerekend Cools haalde als Waals minister van Lokale Besturen en Gesubsidieerde Werken Taxquet naar zijn kabinet, dat hij in 1990 aan Van der Biest overdroeg.

Van der Biest was een literator verdwaald in het politieke milieu. Hij zocht vaak soelaas onder de kurk. Nog voor het begin van het assisenproces pleegde hij zelfmoord. Taxquet en zijn Italiaanse kompanen, die hun handeltjes op en rond het kabinet van Van der Biest organiseerden, hadden in Sicilië twee Tunesische huurmoordenaars gerekruteerd en van wapens voorzien. Hun was verteld dat ze een drugsbaron moesten liquideren. De twee werden later in eigen land veroordeeld tot 25 jaar cel.

Craxisme in Luik

De juiste toedracht van de moord werd nooit achterhaald. Taxquet kwam samen met andere veroordeelden vervroegd vrij na een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Taxquet, die beweerde onschuldig te zijn, was door assisen veroordeeld op basis van een anoniem getuigenis, vandaar. Een PS-veteraan zei achteraf: ‘Wij weten niet waarom Cools werd vermoord, maar wees gerust dat hij het zelf wist op het moment dat hij oog in oog stond met zijn moordenaar.’ Heel Luik was op de hoogte dat Cools, die vaak gewapend rondliep, zich graag encanailleerde met twijfelachtige patsers als die rond Taxquet. Heeft hij in die middens de verkeerde bedreigd? Mogelijk, want intimidatie behoorde tot zijn vaste repertoire.

André Cools was niet geliefd, hij werd gevreesd. Haat was voor de PS’er een deugd.

Cools, voor wie macht niets betekende als je die niet durfde te misbruiken, introduceerde in Luik het craxisme, genoemd naar de Italiaanse socialist Bettino Craxi. Dat bestond in het afromen van overheidscontracten en het afzetten van privébedrijven. Omdat hij van cijferwerk alleen het optellen had onthouden, liet Cools zich bijstaan door Fernand Detaille, bedrijfsrevisor en PS-penningmeester. Met hem ontwikkelde hij een kolossale macht via door de PS gecontroleerde intercommunales rond openbare ziekenhuizen, water- en elektriciteitsmaatschappijen en andere nutsbedrijven. Toen hij privé in geldnood zat, eiste hij - en kreeg hij - het voorzitterschap op van de verzekeraar Omob, vandaag Ethias. Waalse en Brusselse entrepreneurs kwamen geregeld op zaterdagse audiëntie in zijn thuishonk Flémalle om er zaakjes te bespreken.

Cools was niet geliefd, hij werd gevreesd. Haat was voor de PS’er een deugd. Zo haatte hij als geen ander Leo Tindemans, niet vanwege het mislukte Egmontpact, maar omdat de CVP’er in 1972 als minister van Landbouw de vogelvangst verbood.

Cools dreef uiteindelijk alleen nog op Chivas Regal. Elke tegenspraak werd weggebruld. De laatste jaren voor zijn dood trok hij als een ware carrièrebreker een spoor van vernieling in zijn partij. Zelfs Willy Claes, die met Cools de unitaire BSP-PSB had geleid, zou tijdens de ondervragingen door raadsheer Francis Fischer van het Hof van Cassatie toegeven: ‘Eerlijk gezegd, ik droeg Cools niet speciaal in mijn hart.’ Vakbondsman Jacques Yerna zuchtte na de moordaanslag: ‘Ik hoop dat de leemte gelaten door de dood van Cools nooit zal worden opgevuld.’

Machtsvacuüm

Een plaats in het pantheon van de grote Waalse socialistische leiders is voor hem niet weggelegd. Deze kleinzoon van een Kempense arbeider wiens vader in het Duitse kamp van Mauthausen omkwam, leek aanvankelijk voorbestemd voor een derdeplansrol als secretaris-ontvanger bij de Commissie van Openbare Onderstand in Flémalle. Tijdens de grote winterstaking van 1960-61 fungeerde Cools als een van de lijfwachten van stakingsleider André Renard, die hij kortstondig volgde naar het Mouvement Populair Wallon. Het was zijn oudere gouwgenoot Joseph-Jean Merlot - JJ voor de intimi - die hem plots meetroonde naar Brussel als minister van Begroting in de voorlaatste regering van Gaston Eyskens.

De carrière van Cools kreeg een omslag door de dood van achtereenvolgens Merlot, die in 1969 omkwam bij een verkeersongeluk, en twee jaar later Freddy Terwagne, zijn sluwere generatiegenoot en medeboemelaar die ook minister was in die regering. Cools dook meteen in het Luikse en Waalse machtsvacuüm dat zij lieten.

Na de val van de laatste regering van Eyskens, waarin hij vicepremier was, legde Cools de hand op het covoorzitterschap van de partij, samen met de Antwerpenaar Jos Van Eynde. Hij zou ook voorzitter worden, nadat PS en SP in 1978 hun eigen weg waren gegaan. In 1981 werd de PS-scepter overgenomen door Spitaels, wiens politieke loopbaan voor het Hof van Cassatie strandde.

Nadat het Agusta-schandaal was ingeslagen bij de Vlaamse socialisten, die zowel van de Italiaanse helikopterbouwer als van Dassault tientallen miljoenen frank toegestopt kregen, sprak voorzitter Louis Tobback terecht over ‘het einde van een generatie’. Merry Hermanus, een van de PS’ers die door Cassatie werden veroordeeld, ging nog verder en had het over de Belgische sociaaldemocratie als ‘een verdorde boom die zijn dode bladeren wil behouden’. Die ochtend in Luik was Cools niet het enige slachtoffer.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud