column

Nutella en EU-burgerschap

Het groeiende nationalisme in Oost-Europa heeft ­minder te maken met politiek dan wel met psychologie. Het gevaar voor de samenhang van de Europese Unie is er niet minder om, ­waarschuwt de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.

Drie jaar geleden ontstond in Slovakije en Hongarije beroering over de kwaliteit van Nutella. De chocopasta van het populaire merk in de winkels in Bratislava en Boedapest bleek te verschillen in volheid en smeuïgheid van de Nutella in Oostenrijkse warenhuizen. Alsof dat nog niet genoeg was, bleek uit hetzelfde kwaliteitsonderzoek dat de bekende Manner-wafeltjes er minder knapperig waren dan die in Oostenrijk. 

Daarmee was de maat vol. Janos Lazar, de kabinetschef van de Hongaarse premier Viktor Orbán, sprak van het grootste schandaal in jaren. De producenten van zowel Nutella als Manner kregen niet uitgelegd dat ze gewoon rekening hielden met lokale smaken. De verbruikers in Slovakije en Hongarije waren niet van hun stuk te brengen: er waren minderwaardige ingrediënten gebruikt omdat zij als Oost-Europeanen als tweederangsconsumenten worden beschouwd.
De Europese Commissie liet aanvankelijk weten zich niet te kunnen inlaten met de productiekeuzes van de multinationale voedingsbedrijven. Toch probeerde toenmalig Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker enkele maanden later de rel te smoren met de verzekering dat voortaan in heel de Unie zaak werd gemaakt van een gelijke kwaliteit van de aangeboden merkenvoeding.

Om aan te tonen dat ze in de voormalige Oostbloklanden weinig nodig hebben om zich gefrustreerd te voelen, herinnert de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev graag aan het Nutella-incident. Een heropflakkering van die frustratie valt niet uit te sluiten nu Turkije, verstrikt in het Syrische conflict, de migratiekwestie gebruikt om druk te leggen op de EU.

De schabouwelijke scènes met bijeengepakte vluchtelingen aan de Turks-Griekse grens die met traangas worden bestookt en met waarschuwingsschoten op een afstand worden gehouden, doen terugdenken aan de migratiecrisis van 2015. Toen trokken kolonnes van haveloze vluchtelingen uit Syrië en elders in het Midden-Oosten door de Balkan westwaarts richting Duitsland. Werden de vluchtelingen aanvankelijk gul onthaald in Duitsland, zeker na het ‘Wir schaffen das’ van bondskanselier Angela Merkel, in de Balkanlanden veroorzaakte de vluchtelingenpassage een forse opstoot van xenofobie.

Gevaarlijk medelijden

In een gelekte dienstmededeling van de Hongaarse nationale televisie werd zelfs aan de journalisten gevraagd geen beelden te tonen van de kinderen van vluchtelingen. De Hongaarse regering vreesde dat dergelijke beelden bij de burgers ‘een gevaarlijk medelijden’ teweeg konden brengen.

Krastev schreef in die dagen een opmerkelijk artikel in het Nederlandse tijdschrift Nexus over ‘Het ongemak van Oost-Europa’. Daarin bestempelde hij de vluchtelingencrisis als een grotere bedreiging voor het voortbestaan van de EU dan de eurocrisis of de Russische annexatie van de Krim. Samen met de Amerikaanse rechtsgeleerde Stephen Holmes werkte Krastev de aanzwellende ontgoocheling in Oost- en Centraal-Europa over de EU uit in het boek Falend licht. Hoe het Westen de Koude Oorlog won maar de vrede verloor’. Het thema was ook al aanwezig in zijn eerder verschenen ‘After Europe’. Want de migratiecrisis werkte volgens Krastev als ontstekingsmechanisme voor de verwijdering tussen
Oost- en West-Europa.

Het arrogante Brussel heeft zich verkeken op de uiteenrafeling van de oostrand van de Europese Unie.

Krastevs ‘Falend licht’ werd overschaduwd door het verkoopsucces van Geert Maks ‘Grote verwachtingen’, dat gelijktijdig verscheen. Maar in tegenstelling tot Mak wijst Krastev al langer naar de zwakkere plekken van de EU en van de beleidsmakers in Brussel, die volgens hem al te vaak uitmunten ‘in arrogantie en trivialiteit’. In elk geval kreeg Brussel veel te laat in de gaten dat het toenemende nationalisme, dat door het communisme onder de duim werd gehouden, en het illiberalisme in Polen, Hongarije en elders in de voormalige Oostbloklanden minder een kwestie is van politiek dan van psychologie.

‘Er zijn in de Balkan meer mensen die beweren een vliegende schotel te hebben gezien dan er zijn die ooit het pad kruisten van een vluchteling’, zegt Krastev. ‘Polen verzet zich tegen de komst van de zogenaamde vreemdelingen, maar heeft zelf wegens een nijpend gebrek aan werkkrachten honderdduizenden Oekraïense arbeiders binnengehaald.’

Uit tal van bevragingen bleek dat de burgers van de voormalige Oostbloklanden de opening van de grenzen beschouwden als de grootste weldaad van de ineenstorting van de communistische regimes. Die open grenzen en naderhand het lidmaatschap van de EU hebben wel een heuse volksverhuizing van Oost- naar West-Europa ontketend: het gaat om 18 miljoen landverhuizers sinds de jaren 1990. De ontvolking van het platteland in Hongarije, Roemenië, Letland en Litouwen, maar vooral in Bulgarije, dat ruim 20 procent van zijn bevolking zag wegtrekken, resulteerde in een gevoel van verlating bij de vaak oudere achterblijvers.

En de trek gaat door. Tijdens de regeerperiode van Orbán hebben meer Hongaren het land verlaten dan na de Sovjetinval in 1956. In Bulgarije blijkt 83 procent van de afgestudeerden aan de beste tien middelbare scholen naar buitenlandse universiteiten te willen uitwijken.

De vertrekkers veroorzaken niet alleen een enorme braindrain, maar ook een geldtransfer naar het Westen. Want hun opleiding werd betaald door de landen van herkomst. Die landen hebben nu geen keuze: hun mensen terughalen of werkkrachten van elders rekruteren. Zoniet dreigen de buitenlandse investeerders, aanvankelijk aangetrokken door de lage lonen in Oost- en Centraal-Europa, weg te blijven of op hun beurt te verhuizen.

De opstoot van populistische partijen van diverse pluimage, nationalisme en ronduit openlijk illiberalisme zijn het resultaat van die volksverhuizing uit wat Krastev en Holmes als de Oost-Europese ‘imitatiedemocratieën’ bestempelen. De goed opgeleide en liberaal gestemde burgers hebben het land verlaten en komen niet meer stemmen. Het zijn de verwaarloosde blijvers die in Hongarije Orbán en in Polen de partij Recht en Rechtvaardigheid van Jaroslav Kaczyński aan de macht brachten. Het is een uitdrukking van hun ontgoocheling in de EU, die hen vaak behandelt als tweederangsburgers die al blij mogen zijn dat ze tot de club werden toegelaten.

Het arrogante Brussel verkeek zich op de uiteenrafeling van de oostrand van de Unie, die overigens leidde tot een toename aldaar van de invloed van Rusland en vooral van China. Bovendien wekt juist de bedilzucht van Brussel wrevel op. Zo zijn de meeste Polen fel gekant tegen de pogingen van de regering om greep te krijgen op de samenstelling en de werking van het grondwettelijk hof, maar ze ergeren zich nog meer aan de manier waarop Brussel zich met de zaak inlaat en met sancties dreigt. In Brussel wordt Orbán voortdurend onderschat. De man heeft een grote Europese ervaring en is volgens Krastev een geboren politiek talent. Als geen ander speelt hij thuis in op de anti-Europese gevoelens, terwijl hij ongegeneerd de Europese fondsen plukt. Hij let er wel op nooit over de rode lijn te stappen; hij tapdanst er voortdurend langs.

Van Brussel verwacht Krastev niet meteen veel heil om de situatie te keren. Het zal, zoals altijd in de EU, van Berlijn moeten komen. Door de ervaring met Oost-Duitsland weet men daar beter dan in Brussel de signalen uit die landen te decoderen. De toekomst van de EU zal dus in Berlijn worden bepaald en niet in Brussel, en al zeker niet in Parijs.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud