column

Onmogelijk gaat ook

De put van 10 miljard euro in de federale begroting dempen en de overheidsschuld afbouwen zoals de EU eist, is niet mogelijk met de huidige bijzondere financieringswet. Het formatieberaad zal daarom hoe dan ook communautair geladen raken.

De werkelijkheid klopt zelden met de politieke theorie. Met die vaststelling worden politici wel vaker geconfronteerd. Neem nu de hele discussie over confederalisme die na de verkiezingen van 26 mei plots de politieke gesprekken beheerste nadat N-VA-aanvoerder Bart De Wever erover was begonnen. Gewezen sp.a-voorzitter Frank Vandenbroucke bestempelde het confederalismezwaaien van de N-VA als ‘pokeren met een fata morgana’ en hij maakte de vergelijking met de brexit. Een vergelijking die meteen werd nagepraat door vicepremier Alexander De Croo (Open VLD) in ‘Terzake’.

In 2010 betoogde De Croo niet in een regering te stappen zonder een staatshervorming.

Zo te horen bestaan er evenveel definities van confederalisme als er partijen zijn. Versies die naargelang van de politieke tijdsgeest worden bijgesteld en als het moet gewoon vergeten. Welke versie de N-VA eraan geeft, is nogal mistig. Bij CD&V is vandaag sprake van een onbekende variant: ‘positief confederalisme’.

In 2010 betoogde De Croo niet in een regering te stappen zonder een staatshervorming. Hij had het toen over - jawel - ‘een confederaal model als eindstation en niet als een tussenstation naar separatisme’, waarbij het zwaartepunt zou worden gelegd bij de deelstaten. De Croo zag een België verbouwd tot ‘drie kmo’s die samenwerken en over financiële autonomie beschikken’.

Zou Vandenbroucke zich nog herinneren dat hij in 1993 als toenmalig sp.a-voorzitter en coalitiepartner van de centrumlinkse regering van Jean-Luc Dehaene (CD&V) zijn goedkeuring gaf aan artikel 35? Dat artikel werd aangebracht op vraag van VU-voorman Hugo Schiltz. Hij vond dat een basis voor een confederale benadering in de grondwet, vertelde Dehaene in zijn memoires. Zelf was Dehaene sceptisch over de uitvoerbaarheid van dat artikel, dat aanvankelijk als artikel 25 ter in de grondwet stond. De uitvoering zou volgens Dehaene een copernicaanse revolutie veroorzaken in het Belgische federale model.

Professor staatsrecht en historicus Jan Velaers, een stem die in dit debat veel te weinig wordt gehoord, hield in 2013 een lezing voor de Koninklijke Vlaamse Academie over ‘Federalisme / confederalisme…en de weg ernaartoe’. Hij besloot die als volgt: ‘…het confederalisme ‘op zijn Belgisch’ blijkt een vlag te zijn die een zeer gevarieerde lading dekt: van een verdieping van het federalisme, over een uitvoering van artikel 35 van de grondwet - al dan niet na een herziening ervan in ‘confederale zin’ - tot echt confederalisme, waarbij de deelstaten de dragers worden van de soevereiniteit. Aan die Babylonische spraakverwarring wordt best een einde gemaakt ter wille van de zindelijkheid van het democratische debat.’

In zijn nog altijd belangwekkende lezing, waarvan de tekst naderhand werd gepubliceerd, had professor Velaers het uitgebreid over artikel 35 en de uitvoering ervan. ‘Artikel 35 van de grondwet is door de jaren heen uitgegroeid tot een mythe of wat sommigen een ‘constitutioneel monster van Loch Ness’ noemen. Velen weigeren er geloof aan te hechten maar anderen laten niet na steeds weer de ‘oplossing van artikel 35’ op te voeren. Dat artikel 35 van de grondwet dient te worden uitgevoerd, is duidelijk. Dat is de wil van de grondwetgever van 1993.’

De academicus ontkent niet dat de uitvoering ervan tijd zal vergen en dat de besprekingen over de lijst met wat de twee grote gemeenschappen nog samen willen doen ook kunnen mislukken. Maar als het tot een uitvoering komt, dan is volgens Velaers de communautaire rust voor vele jaren verzekerd.

Het marioneteffect

De uitvoering van artikel 35 zal ongetwijfeld de splitsing van de sociale zekerheid tot gevolg hebben. Van CD&V is bekend dat die aanstuurt op de volledige splitsing van de gezondheidszorg. Met de zesde staatshervorming werd met de defederalisering van onder meer de kinderbijslag de splitsing van de sociale zekerheid op een grote kier gezet. De hervorming van de bijzondere financieringswet in 2011 dwingt de deelstaten tot meer financiële verantwoordelijkheid en zet gaandeweg een rem op de solidariteitsmechanismen. Vooral dat laatste leidt tot nervositeit in de PS-rangen.

In zijn verzet tegen elk confederaal model gebruikt Vandenbroucke graag het Brusselse schild. Want in welke versie van het confederalisme ook, en zelfs bij de uitvoering van artikel 35, is de splitsing van de sociale zekerheid onvermijdelijk en dan krijgen de Brusselaars of de in Brussel gevestigde bedrijven de keuze aan te sluiten bij het Vlaamse of het Waalse stelsel. Die bedrijven zouden dan met twee of drie regelgevende systemen worden geconfronteerd. Met tal van verwikkelingen tot gevolg.

De truc met Brussel is evenwel een achterhaald verweer. In de Canadese provincie Québec hebben ze een ander systeem van sociale zekerheid dan in de rest van het land. Dat leidt daar niet tot complicaties. Bovendien is het uit elkaar houden van de verschillende systemen geen probleem voor de federaal beheerde kruispuntbank. Nu al telt men in Brussel, dat zich graag als kosmopolitisch voorstelt, tal van werknemers die in verschillende zorg- en tewerkstellingssystemen meedraaien. Heel wat in Brussel werkende eurocraten vallen zowel fiscaal als sociaal onder het Luxemburgse systeem. Zoals pleiters van internationale advocatenkantoren en kaderleden van internationale financiële instellingen veelal onder buitenlandse systemen resorteren. Het gescherm met het Brusselse probleem is dus een achterhoedegevecht. En het is al vaker gebleken dat in de Wetstraat de onmogelijke oplossing plots de enig mogelijke blijkt te zijn, zoals destijds met het federalisme.

De belangrijkste kwestie waarmee de volgende regering geconfronteerd wordt, is de bijzondere financieringswet, die momenteel de Belgische constructie overeind houdt.

De belangrijkste kwestie waarmee de volgende regering hoe dan ook wordt geconfronteerd, is de bijzondere financieringswet, die momenteel de Belgische constructie overeind houdt. Want de door de centrumrechtse regering van Charles Michel (MR) nagelaten put van 10 miljard euro in de federale begroting dempen en de overheidsschuld afbouwen zoals de EU eist, is niet mogelijk zonder daaraan te raken. De bijzondere financieringswet, die in 2011 werd aangepast, heeft tijdelijk wat soelaas gebracht. Maar door het slordige budgettaire beheer van de vorige regering raakt ook het nieuwe systeem ontwricht. En zoals altijd in België komen communautaire geschillen neer op de verdeling van het geld. Dat was het geval met de formatiecrisis van 541 dagen in 2010-2011, en het is nu niet anders.

Het is bijgevolg geen verrassing te vernemen dat de informateurs Didier Reynders (MR) en Johan Vande Lanotte (sp.a) ook communautaire pistes verkennen. Daarbij zal de bijzondere financieringswet zeker onder de loep worden genomen. Want niet alleen wegen de dotaties voor onderwijs, maar ook de betaling van de overheidspensioenen nog altijd op de zwaar deficitaire federale begroting. De deelgebieden dragen amper 8 procent bij voor die pensioenen. Intussen ondergaan de gewesten het federale fiscale beleid. Het verlagen van de belastingdruk op arbeid en een fiscale verschuiving naar belasting op verbruik en naar milieutaksen leidt meteen tot de inkrimping van de basis van de gewestelijke fiscale autonomie. ‘Een beleidsmatig marioneteffect’, noemt jurist en fiscaal expert Michel Maus dat.

Het federale formatieberaad zal bijgevolg onvermijdelijk communautair geladen raken. Men kan maar beter tijdig aan de besprekingen beginnen. Want de economische vooruitzichten zijn niet van de fraaiste. En het geduld van de Europese Unie met het Belgische budgettaire geneuzel raakt stilaan op.

Lees verder

Tijd Connect