opinie

Paleis der Natie | Concurrentiekracht

De koninklijke opdrachthouders Bart De Wever en Paul Magnette brengen maandag verslag uit ten paleize. Hun ontwerp van een regeerproject blijft flou. De gelekte intentie om de competitiviteitswet van 1996 open te breken is een benauwend voorteken.

De groenen of de liberalen? Dat is de vraag die de Wetstraatbewoners bezig lijkt te houden. Maandag begeven de twee koninklijke missionarissen Bart De Wever (N-VA) en Paul Magnette (PS) zich ten paleize om er hun keuze mee te delen, of ten minste in te leiden. Omarmen zij Groen en Ecolo of toch Open VLD en de MR? De groenen twijfelen. Dat Open VLD de entente met de Franstalige liberalen zou laten springen, lijkt niet aan de orde. Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert en zijn MR-collega Georges-Louis Bouchez blijven voorlopig op één lijn.

De aarzeling van de twee informateurs tussen groen en liberaal zegt veel over deze formatie. De Wever en Magnette hebben een onderling akkoord. Zo te horen lijken de Vlaamse socialisten van de sp.a en de Vlaamse christendemocraten van CD&V en hun Franstalige achterneven van cdH zich daarbij aan te sluiten. Hoewel, wat is dat voor een onderling akkoord, waarvan de opstellers denken dat het zowel met zelfbenoemde linkse groenen als met rechtse liberalen kan worden uitgevoerd? En is er wel sprake van een akkoord?

Volgens cdH-voorzitter Maxime Prévot op de Franstalige nieuwszender LN24 is er voorlopig nergens eensgezindheid over, en al zeker niet over mogelijke communautaire verbouwingen. Tot nu toe hebben de vijf partijen rond De Wever en Magnette slechts mondelinge toelichtingen maar geen teksten gekregen bij de contouren van de overeenkomst tussen De Wever en Magnette. De echte onderhandelingen moeten volgens Prévot nog beginnen. Dat stemt tot nadenken over de haalbaarheid van het formatieproject.

De wet op de concurrentiekracht is een draagbalk van de federale maar vooral van de Vlaamse economie, die de Belgische uitvoer schraagt.

De Tijd bracht een eerste inzicht in de formatieplannen.  Naast zeer vage communautaire wensdromen werd melding gemaakt van de intentie om het minimumpensioen tot 1.500 euro netto te verhogen - een boud en duur plan - en om de uitkeringen over de armoededrempel te tillen. Tussen al die wetenswaardigheden werd, als was het vanzelfsprekend, ook te kennen gegeven dat De Wever en Magnette het eens waren over het openbreken van de wet van 26 juli 1996 ‘tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen’. Dat zou toelaten dat ‘sectoren die het voor de wind gaat hogere loonsverhogingen mogen toekennen’.

Dit is geen kleinigheid. Deze wet is een draagbalk van de federale maar vooral van de Vlaamse economie, die de Belgische uitvoer schraagt. Daaraan raken is niet zonder gevaar. Want die wet houdt de loonkostenontwikkeling in België in de pas met de verwachte loonevolutie bij de belangrijkste handelspartners: Duitsland, Nederland en Frankrijk.

Rode draad

Het herstel van het concurrentievermogen was al de rode draad in het routeplan dat Fons Verplaetse, de latere gouverneur van de Nationale Bank, eind 1981 opstelde voor een CVP-werkgroep die op zoek was naar ‘een sociale weg tot economisch herstel’. Zijn herstelplan werd de handleiding voor de devaluatie van de Belgische frank die de rooms-blauwe regering van Wilfried Martens zou doorvoeren.

Verplaetse had eerder met de studiedienst van de Nationale Bank meegeschreven aan een vernietigend rapport over ‘de uitgeputte Belgische economie’. Die werd geplaagd door een volkomen uit de hand gelopen loonvorming als gevolg van de oliecrisis. De snel stijgende energieprijzen joegen de automatische indexering buitenmaats aan. Midden jaren 1970 bleken de loonkosten in België ruim 12 procent meer te zijn gestegen dan in de rest van de Europese Economische Gemeenschap.

12
procent
Midden jaren 1970 bleken de loonkosten in België ruim 12 procent meer te zijn gestegen dan in de rest van de Europese Economische Gemeenschap.

De devaluatie van de Belgische frank met 8,5 procent in februari 1982 en de indexsprongen die volgden werkten de loonhandicap tegenover de drie buurlanden vrijwel meteen weg. Om dat resultaat vast te houden voerde de regering een jaar na de devaluatie de competitiviteitsnorm in. Die werd begin 1985 nog uitgebreid en werd een sluitstuk van het herstelbeleid dat Martens, Verplaetse en toenmalig ACV-voorzitter Jef Houthuys bespraken in het intussen alombekende Poupehan.

In januari 1989 werd de competitiviteitswet goedgekeurd. Die bepaalde op geregelde tijdstippen de concurrentiekracht van België aan de hand van de evolutie van de loonkosten tegenover het gewogen gemiddelde van de loonkosten per werknemer bij de belangrijkste handelspartners. Jaren later bestempelde Verplaetse tijdens een hoorzitting in de Senaat de wet van 1989 als ‘een historisch werkstuk’ dat een herhaling van de excessen uit de jaren zeventig onmogelijk maakte.

De loonhandicap was onder de regering-Martens fors gestegen. zijn opvolger Dehaene moest fors ingrijpen. ©Belga

Toch was in 1993 de loonhandicap tegenover de buurlanden alweer gevoelig gestegen als gevolg van een zekere saneringsmoeheid en van de 'retour du coeur' die door de PS was opgelegd aan de allerlaatste regering van Wilfried Martens. Dat dwong Martens’ opvolger Jean-Luc Dehaene, die de Maastrichtnormen moest halen om België in de eurozone te loodsen, tot een forse ingreep. Een werkgroep geleid door intussen NBB-gouverneur Verplaetse tekende een Sociaal Pact uit.

Gezondheidsindex

Door de weigering van de vakbonden om het Pact goed te keuren, werd het uiteindelijk een Globaal Plan. Het moest het overheidstekort naar 3 procent van het bruto binnenlands product brengen, de overheidsschuld afbouwen en de sociale zekerheid leefbaar houden. Het plan voorzag ook in een tewerkstellingsplan gebaseerd op een verbetering van het concurrentievermogen. Dat laatste werd in de wet van 1996 gegoten die de twee informateurs naar verluidt nu willen openbreken. De competitiviteitsnorm, zoals uitgewerkt onder Martens, was toe aan een verbetering en een verfijndere berekening onder meer wegens de koppeling van de frank aan de Duitse mark en het vooruitzicht van een eenheidsmunt.

De gezondheidsindex, die gevoelig lager ligt dan de oude indexberekening, had weldoende gevolgen voor de overheidsfinanciën.

Bij het Globaal Plan en bij de competitiviteitswet van Dehaene hoorde de invoering van de gezondheidsindex, een vondst van de briljante PS-topambtenaar Michel Jadot. De gezondheidsindex, die gevoelig lager ligt dan de oude indexberekening, had niet alleen weldoende gevolgen voor de overheidsfinanciën, maar had zijn belangrijkste effect bij plotse sterke stijgingen van de olieprijzen.

In 2017 werd de concurrentiewet nog eens bijgewerkt door de regering-Michel. De MR en Open VLD zijn dan ook geen voorstander van een versoepeling. Want dat is een roekeloze onderneming. Kennelijk wil de PS via die weg de koopkracht van de werknemers bijspijkeren. Terwijl net het omgekeerde dreigt, vooral in Vlaanderen, door een domper te zetten op de tewerkstelling. Want de competitiviteitsnorm geldt alleen in de privésector, die het sterkst is ontwikkeld in het noorden van het land. En daar liggen de loonkosten nog steeds gemiddeld 10 procent hoger dan in de buurlanden. Dat verschil moet nog worden weggewerkt. Met een correcte toepassing van de wet van 1996 is dat mogelijk.

Het openbreken van de competitiviteitswet kan alleen gepaard gaan met de afschaffing van de automatische indexering.

Het openbreken van de competitiviteitswet kan alleen gepaard gaan met de afschaffing van de automatische indexering. Dat laatste heeft de Europese Unie al meermaals gesuggereerd. Maar dat is in de huidige omstandigheden ondenkbaar voor de PS. Hopelijk geven de Vlaamse onderhandelaars er zich tijdig rekenschap van dat de concurrentiekracht dit gemeen heeft met vertrouwen: het komt te voet en gaat te paard. Door de coronacrisis zal de volgende federale regering geen andere ambitie hebben dan met de landelijke economie in de tred van de buurlanden te blijven.

Lees verder

Gesponsorde inhoud