column

Paleis der Natie | Een geheugen van rubber

Achter Leopold II trok een stoet van graaiende zakenlui en bankiers door Congo-Vrijstaat. De overdracht van de kolonie aan België was hun manier om het wingewest van de vorst over te nemen.

Koning Leopold II hield niet van de Belgen. De Belgen hielden niet van hem. Toen zijn rouwstoet in december 1909 onder de koude regen en wind traag door Brussel stapte op weg naar de kathedraal, werd hier en daar gefloten en gejouwd en waren er incidenten. Meer dan een eeuw later, na de Black Lives Matter-betoging van afgelopen zondag, staat het gigantische ruiterstandbeeld van Leopold II op het Brusselse Troonplein er mistroostig bij, beklad met verf en aanklachten tegen racisme.

Nog een geluk dat luitenant-generaal Emile Janssens dit allemaal niet meer meemaakt. De generaal werd in 1960 door de regering van Gaston Eyskens uit het pas onafhankelijke Congo teruggeroepen, nadat hij daar door zijn arrogante optreden een opstand had veroorzaakt van de Force Publique die hij leidde. Gebelgd ging de generaal op het Troonplein een krans neerleggen bij het ruiterstandbeeld en riep: ‘Sire, ils vous l’ont cochonné!’ Zijn kreet was geïnspireerd door wat Leopold II zou hebben gemompeld bij de (gedwongen) overdracht van zijn Congo-Vrijstaat aan België: ‘Ik hoop dat ze het niet verknoeien.’

Erfenis

Het zat er al langer aan te komen dat de standbeelden en bustes van Leopold II uit de publieke ruimte moesten verdwijnen. De Belgen hebben altijd verveeld gezeten met het koloniale verleden en vooral met de erfenis van Leopolds Congo-Vrijstaat. Maar als het ging over de gruwelijke behandeling van Congolese werkers in de rubberplantages leken sommigen, zelfs historici, een geheugen van rubber te hebben.

Het Congolese drama stopte niet met de dood van Leopold II.

Volgens de intussen overleden historicus en antropoloog Jan Vansina hebben enkele academici die verdringing in de hand gewerkt. Baanbrekend onderzoekswerk van diplomaat-historicus Jules Marchal, die het pseudoniem A.M. Delathuy hanteerde, en van Daniël Vangroenweghe werd door hun Franstalige collega Jean-Luc Vellut weggezet als ‘gruwelgeschiedenis zonder veel duiding’. Zij leverden nochtans de grondstof voor de wereldwijde bestseller ‘De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo’ van Adam Hochschild.

Eerder deze week nog zette Pierre-Luc Plasman, auteur van ‘Léopold II, potentat congolais’, in Le Soir een demper op de verantwoordelijkheid van de koning door de gepleegde misdaden op rekening te schuiven van onderaannemers en mediocre medewerkers. Jean Stengers, de auteur van ‘Combien le Congo a-t-il coûté à la Belgique?’, zag Leopold II als een potentaat, maar ook als een groot man zonder wie het moderne Congo nooit gestalte had gekregen. Ooit maakte toenmalig vicepremier Louis Michel (MR) zich boos over het beeld dat over Leopold werd geborsteld in de Britse documentaire ‘White king, red rubber, black death’.

Al vroeg twijfels

Nochtans bestonden er al vrij vroeg grote twijfels over de grootheid van de vorst. Er waren niet alleen de aanklachten van de Engelse activisten Edmund Dene Morel en Roger Casement van de Congo Reform Association, maar ook die van de Belgische jezuïet Arthur Vermeersch en van Félicien Cattier, de latere vicegouverneur van de Generale Maatschappij. Die laatste liet geen twijfel bestaan toen hij in 1905 in zijn ‘Étude sur la situation de l’État Indépendant du Congo’ schreef: ‘De waarheid is dat de Congostaat geen koloniserende staat is, het is nauwelijks een staat; het is een financieel bedrijf. De kolonie wordt niet beheerd in het belang van de inboorlingen, zelfs niet in het economische belang van België. De koning-soeverein voorzien van een maximum aan middelen, dát is het doel van de bestuurlijke activiteit.’


Het ruiterstandbeeld van Leopold II staat niet toevallig op het Troonplein, op een steenworp van de Brederodestraat, vlak achter het koninklijk paleis. Daar waren ten tijde van Leopold de meeste van zijn Congolese ondernemingen gevestigd, onder meer de machtige Compagnie du Congo pour le Commerce et l’Industrie, die de aanzet gaf voor de aanleg van de spoorlijn Matadi-Stanley Pool. Die aanleg alleen al heeft duizenden dodelijke slachtoffers geëist. De metalen voor het ruiterstandbeeld werden trouwens geleverd door de Union Minière du Haut-Katanga (vandaag Umicore), gesticht in 1906 door Leopold II zelve en de Generale Maatschappij. Volgens publicist Ludo De Witte was het bedrijf ruim een halve eeuw later medeplichtig aan de moord op Patrice Lumumba.

Congo-Vrijstaat was inderdaad geen staat, maar een megabedrijf, verbonden met een internationaal netwerk van ondernemingen en banken.

Albert Thys, de architect

Congo-Vrijstaat was inderdaad geen staat, zoals Cattier schreef, maar een megabedrijf, verbonden met een internationaal netwerk van ondernemingen en banken. De architect van dat netwerk was generaal Albert Thys, jarenlang de vertrouwensman van Leopold II. Zonder hem was de uitbouw van Congo-Vrijstaat niet mogelijk geweest. Niet Leopold II, maar Thys kan worden vergeleken met de Britse imperiumbouwer Cecil John Rhodes. Thys onderhandelde met Rhodes als een gelijke, onder meer over Katanga, waar zijn eigen Compagnie du Lomami, een dochter van zijn Compagnie du Katanga, een immense rubberconcessie uitbaatte. Thys lag mee aan de basis van het perverse exploitatiesysteem met sancties allerhande, zoals het afhakken van ledematen van werkonwilligen.

©Photo News

Een van de plaatselijke verantwoordelijken van de Lomami-concessie schreef in 1904 over de uitbuiting van de plaatselijke bewoners: ‘Men moet ze ofwel uitroeien, ofwel ertoe besluiten ze toe te laten een beetje te werken (op hun land) om hun bestaan te verzekeren.’

Toch is het opmerkelijk dat Thys in de discussies over het Congolese terreurregime zelden of nooit opduikt. In het boek van Hochschild wordt hij niet één keer genoemd. Er verscheen ooit een dun hagiografietje over hem, maar nooit een kritische biografie. In zijn geboorteplek Dalhem, tussen Luik en Maastricht, werd een klein museum aan hem gewijd dat alleen te bezoeken is tijdens de schooluren. In het Brusselse Jubelpark staat een monument met zijn portret in bas-reliëf op de sokkel. Het bleef tot nog toe buiten de aandacht van betogers en bekladders.

Dispuut

In de jaren 1890 begon het scheef te lopen tussen koning Leopold en Thys. De inzet van hun disputen was zakelijk. Geleidelijk manoeuvreerde Thys voor een overname van Congo-Vrijstaat door België. Leopold stond immers onder toenemende druk van de internationale protesten tegen zijn regime in Congo-Vrijstaat. Het Franse satirische blad L’Assiette au Beurre bekogelde Leopold geregeld met de gruwelijkste karikaturen. Dat deed de Congolese handel geen goed.

Het Franse satirische blad L’Assiette au Beurre bekogelde Leopold geregeld met de gruwelijkste karikaturen. Dat deed de Congolese handel geen goed.

Thys hield zich buiten die controverse, en dus ook buiten de aandacht van Edmund Morel en Roger Casement. Hij voedde Félicien Cattier met informatie, en verspreidde een eigen anoniem pamflet ‘Faut-il reprendre le Congo?’. In missives rekende hij de Belgische overheid de rijkdom van de kolonie voor. Hij wees ook op het belang van het in stand houden van de rubber- en andere plantages, maar ook van het zwarte ras. Maar opleidingen, onderwijs en eigendom waren aan ‘de neger‘ niet besteed: ‘Ze begrijpen toch niets, en hoe eerbaar de bedoelingen van de blanken ook mogen zijn, deze werkwijze kan alleen met brute kracht worden opgelegd.’

In de Kamer stelde de socialist Jules Destrée het zo: ‘We zijn naar Congo vertrokken om de slavernij uit Afrika te verdrijven, en we hebben ze onder een andere vorm weer ingevoerd.’ Dat was toen Congo in 1908 door België werd overgenomen. Op dat moment hadden Thys, intussen aan het hoofd van zijn eigen Banque d’Outremer, en zijn vennoten Congo onder controle. Een kwarteeuw later schreef Filip De Pillecyn over Congo in Pallieter: ‘Beschaven met jenever en matrak. Het resultaat staat in de beursgazet.’ Het Congolese drama stopte niet met de dood van Leopold II.

Lees verder

Gesponsorde inhoud