column

Paleis der Natie | Kinderen van de rekening

In de discussie over de noord-zuidtransfers praten Vlamingen en Walen al jaren langs elkaar heen. Nochtans komt die kwestie bij de volgende staatshervorming onvermijdelijk op tafel met al haar financiële complicaties.

In Louvain-la-Neuve overleed vorige week zaterdag de 82-jarige Michel Quévit. In Vlaanderen gaan weinigen rechtop zitten bij het horen van de naam van deze emeritus van de Université catholique de Louvain. Zelfs in Franstalig België beperkte de aandacht voor zijn overlijden zich tot een kaderstukje achteraan in de krant. Een verrassende mediabehandeling toch wel voor de econoom-socioloog die het politieke debat bezuiden de taalgrens in confederale richting stuurde. Samen met zijn collega’s Robert Tollet van de Université Libre de Bruxelles en Robert Deschamps van de Université de Namur signeerde hij in 1984 al een voorstel tot ‘réforme de type confédéral de l’état belge dans le cadre du maintien de l’unité monétaire’.

Quévit was de auteur van twee veelbesproken studies: Les causes du déclin wallon en Flandre-Wallonie. Quelle Solidarité? Hij werkte ook als adviseur van de Luikse PS’er en uitgesproken regionalist Jean-Maurice Dehousse, toen die als eerste Waalse minister-president aantrad. Ooit begon hij als leerling-typograaf, maar aangemoedigd door Jozef Cardijn, de priester-stichter van de Kristene Arbeidersjeugd (KAJ), en Marcel Van Massenhove, de latere voorzitter van Almanij, begon hij aan universitaire studies, eerst in Leuven en naderhand aan de Harvard Business School. Zijn doctoraatsonderzoek handelde over de oorzaken van de Waalse neergang, later gepubliceerd onder de titel ‘Les causes du déclin wallon’. Dat blijft een standaardwerk voor al wie de naoorlogse communautaire convulsies wil begrijpen.

Transfers

In 2010 reageerde Quévit verstoord op de bewering van Jean-Marie Dedecker in het Franse weekblad Le Point dat Vlaanderen altijd al voor Wallonië had betaald. Met zijn uitlating borduurde Dedecker voort op wat de Gentse hoogleraar economische geschiedenis Juul Hannes had geschreven in ‘De mythe van de omgekeerde transfers. Fiscale prestaties van Vlaanderen, Wallonië en Brabant, 1832-1912’. Hannes, een man van liberalen huize, bracht aan het licht dat sinds 1830 onafgebroken Vlaams belastinggeld naar Wallonië stroomde, zelfs in tijden van economische misère zoals beschreven door August De Winne in ‘Door arm Vlaanderen’. Daarmee maakte Hannes een einde aan de hardnekkige Waalse overtuiging dat de transfers ooit van zuid naar noord liepen.

Vlamingen en Walen praten in het transferdebat al decennia langs elkaar heen.

Het toeval wil dat Hannes’ studie, die alleen nog antiquarisch te vinden was, zopas opnieuw werd uitgebracht door de opiniewebsite Doorbraak.be. De nieuwe editie werd aangevuld met commentaarstukken van Frans Crols, oud-hoofdredacteur van Trends, economieprof Geert Jennes, Trends-chroniqueur Alain Mouton, en Didier Paquot, chief economist en onderzoeksdirecteur van de Waalse denktank Institut Jules Destrée. De reactie van Quévit verscheen onder de titel ‘Flandre-Wallonie. Quelle solidarité? De la création de l’Etat belge à l’Europe des Régions.’

Taaie vis

Wie de twee werkstukken vergelijkt, merkt meteen dat Vlamingen en Walen in het transferdebat al decennia langs elkaar heen praten.

Hannes hamerde voort op een vaststelling van de econoom Lodewijk De Raet, een icoon van de Vlaamse Beweging. Die ontdekte aan het einde van de 19de eeuw dat de Vlamingen te veel belastingen betaalden wegens de te hoog geschatte grondwaarde. Door het uitpluizen van jaarlijkse belastingrapporten van Financiën kwam Hannes tot het besluit dat de Vlamingen op tal van terreinen gevoelig meer betaalden dan de Waalse landgenoten. Over de periode 1832-1912 bleek een Vlaams gezin gemiddeld 18,36 procent meer te betalen dan een Waals.

Zo bracht de Antwerpse haven meer op aan douanerechten dan de Waalse steenkoolmijnen. Dat kwam doordat de aandeelhoudende groepen in de staalbedrijven en de mijnen, de Brusselse holdings, amper belasting betaalden. Om een idee te geven: in de jaren 1857-1906 kregen de naamloze vennootschappen in Brabant - zeg maar Brussel - 2,2 miljard (goud)frank winst uitgekeerd. Daarop werd amper 50 miljoen frank belasting geïnd.

Hannes concludeerde dat de Walen uiteindelijk de kinderen van de rekening waren omdat de grote financiële groepen hun regio verarmd achterlieten. En die verarming veroorzaakt vandaag problemen, en vooral grote onenigheid in het Belgische staatshuishouden.

Quévit vertrok van een ander gegeven: de Belgische overheidsinvesteringen in de 19de en de 20ste eeuw, en ook de expansiewetten en de Europese structuurfondsen waar Vlaanderen zijn voordeel uit haalde.

Volgens Quévit getuigde het van grote solidariteit dat Wallonië zijn industriële productie niet via Rotterdam of de Noord-Franse havens maar via Antwerpen exporteerde.

De uitbouw van de Antwerpse haven, de aanleg van autowegen en de spoorlijnen, die samen de economische uitbouw van de driehoek Brussel-Gent-Antwerpen vormden waarop België vandaag steunt, hebben inderdaad zwaar gewogen op de Belgische begrotingen. Volgens Quévit getuigde het van grote solidariteit dat Wallonië zijn industriële productie niet via Rotterdam of de Noord-Franse havens maar via Antwerpen exporteerde.

Albertkanaal

Zelfs de aanleg van het Albertkanaal van Antwerpen naar Luik was volgens hem een daad van solidariteit. Dat ook de holdings daar een groot voordeel mee deden en dat Luik dankzij de kanaalverbinding met Antwerpen een van de belangrijkste Europese binnenhavens werd - en dat de Vlamingen zoals Hannes beschreef het grootste deel van die investeringen betaalden - bracht Quévit niet in rekening.

Zo werd het transferdebat een dovemansgesprek. Dat bleef het tot vandaag omdat intussen ook andere stemmen zich lieten horen. In Vlaanderen ging Bea Cantillon van het Centrum voor Sociaal Beleid de transfers relativeren door de nadruk te leggen op de transfers die ook binnen Vlaanderen bestaan. ‘Een poging om de vis te verdrinken’, noemt Alain Mouton dat in zijn commentaar bij de studie van Hannes.

Maar de vis blijkt taaier dan gedacht. Want ook in Wallonië wordt de werkelijkheid onder ogen gezien. Ook Robert Deschamps van het Centre de recherches en Economie Régionale et Politique Economique (CERPE), verbonden aan de universiteit van Namen, kon niet ontkennen dat Wallonië zelf goeddeels verantwoordelijk is voor de jaarlijkse miljardentransfers van nagenoeg 7 miljard euro. En dat omdat de werkzaamheidsgraad, de sociale bijdragen en de belastingen er merkelijk lager liggen dan in Vlaanderen.

In de Europese hoofdkwartieren willen ze dat Wallonië zijn bestuurlijke huishouden op orde krijgt.

Dat besef groeit stilaan in heel Wallonië. Philippe Destatte van de Waalse denktank Institut Destrée zei het al vaker: ‘De interregionale financiële transfers van Vlaanderen naar Wallonië zijn voor veel Walen ondraaglijk.’ Ook bij de PS wordt het probleem niet langer ontkend. Vooral de nieuwe PS-generatie weet dat de grote explicatie onvermijdelijk wordt. Bij de volgende staatshervorming komen de transferkwestie en de interregionale solidariteit onvermijdelijk op tafel. Bovendien ontstaat een grotere druk vanuit de Europese hoofdkwartieren, waar ze willen dat Wallonië zijn bestuurlijke huishouden op orde krijgt. Economisch blijft het een van de meest achtergebleven regio’s van Europa.

Deze regering wil tegen 2024 liefst 8 miljard euro besparen. Een kwart van die inspanning moeten de regio’s dragen. Wallonië kan dat niet aan. Het wil overigens graag de federatie met het ook al armlastige Brussel herzien en stuurt daarom aan op een België met vier deelstaten. De Vlaamse beleidspartijen handelen verstandig door nu al gesprekken aan te knopen met vooral de Waalse evenknieën over de te hanteren cijfers, om tot een ordentelijke en transparante regeling te komen.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud