opinie

Parlementair brood

Regionale en federale parlementsleden leggen de eed af. Budgettaire lijken rollen uit de kasten. De partijen werken aan hun postelectorale depressies. Van dat laatste had Herman De Croo zelden last.

Het aantreden van een nieuw parlement na verkiezingen lijkt altijd op een eerste schooldag. Afgelopen woensdag in het Vlaams Parlement was dat haast letterlijk te nemen. Tal van de nieuwe parlementsleden zijn zo jong dat ze voor die eerste dag wellicht door een van hun ouders naar Brussel werden gereden. Traditiegetrouw wordt de eerste zitting voorgezeten door de oudste verkozene, bijgestaan door de twee jongste. Veruit de oudste Vlaamse volksvertegenwoordiger, met 51 jaar dienst, is de liberaal Herman De Croo. Hij werd voor de gelegenheid geflankeerd door twee jonge Vlaams Belang’ers, Adeline Blancquaert en Filip Brusselmans.

Het zegt wat over het Vlaams Parlement dat daags nadien in de Vlaamse kranten maar oppervlakkig aandacht werd geschonken aan de gebeurtenis en aan de toespraak van tijdelijk voorzitter De Croo - mogelijk zijn laatste parlementaire tussenkomst. Het was nochtans een ode aan het parlementaire werk. De toespraak was in elk geval belangrijker dan het nummertje van Groen-voorzitster Meyrem Almaci bij haar eedaflegging en de scherts rond Vlaams Belang’er Dries Van Langenhove naderhand in het federaal parlement.

Wees kritisch, maar loyaal en wees bovenal zo vrij mogelijk. De vrije stem van de volksvertegenwoordigers zal het desem blijven van ons dagelijks parlementair brood.
Herman De Croo
Vlaams volksvertegenwoordiger

Vooraleer de voorzittershamer over te dragen aan voorzitter ad interim Kris Van Dijck (N-VA) gaf De Croo nog een belangrijke wenk mee aan al dat jonge volk in het halfrond: ‘Wees kritisch, maar loyaal en wees bovenal zo vrij mogelijk. De vrije stem van de volksvertegenwoordigers zal het desem blijven van ons dagelijks parlementair brood.’

Herman De Croo werd een eerste keer tot volksvertegenwoordiger verkozen in 1968. Hij heeft de partijonderdanigheid van de parlementsleden alleen maar zien toenemen. Als voorzitter van de federale Kamer probeerde hij het vuur onder de parlementaire pan te brengen. Hij stimuleerde ook politiek historisch onderzoek naar de werking van de volksvertegenwoordiging. In zijn memoires ‘Geworteld in het leven’ heeft hij het even over het parlement dat in toenemende mate bestaat uit ‘gedetacheerden’ en nauwelijks nog een afspiegeling is van de bevolking, en dat bovendien zijn eigen kracht onderschat. Hij kwam op dat alles terug in zijn toespraak.

Tijdens zijn verblijf in het Vlaams Parlement stelde hij ooit voor een grote denktank samen te brengen met daarin al wat Vlaanderen telt aan bollebozen met internationale ervaring. Die denkgroep zou zich verdiepen in de grote problemen die afkomen op deze regio, een van de rijkste van Europa. Vlaanderen moet weg uit zijn kleinheid, vindt De Croo. Maar niemand leek geïnteresseerd. Dat bevestigde het beeld dat hij heeft van de regio’s, die hem doen denken aan de slager die nog voor de opening van zijn zaak een ‘dikke’ Mercedes koopt.

Alleen dwaashoofden nemen de geestigheden van Herman De Croo niet ernstig. Want om te weten wat echt grappig is, moet je eerst weten wat ernst is. In het Britse parlement zou iemand als de liberaal uit Michelbeke wellicht als ‘a wit’ worden bestempeld: een geestige man, soms bijtend, vaak scherpzinnig. Politici die zich ernstig nemen, en dat zijn er nogal wat, hebben daar moeite mee. Misschien daarom dat De Croo altijd werd onderschat, wellicht ook door de eigenzinnige taal die hij hanteert, het De Croos, en door zijn ouderwetse belgitude. Toch is hij niet alleen een van de slimste politici in de Wetstraat en omgeving, hij is ook een van de best geïnformeerde. Zijn politieke en discrete zakelijke regimecontacten in Kinshasa maken dat hij het reilen en zeilen in Congo beter kent dan de Afrikadesk op Buitenlandse Zaken. Zijn internationale adresboek doet niet onder voor dat van een Europees commissaris, zeker als het gaat over internationaal lucht- en treinverkeer en energiewinning.

Herenboer te paard

Volgens wijlen Frans Verleyen in Knack was Herman De Croo met zijn baardige notarishoofd geknipt voor de filmrol van ‘de secretaris van de graaf van Oudenaarde’ die de omwonende boeren hun pacht komt kwijtschelden. Dat was een verkeerde inschatting van Verleyen, die in Mechelen opgroeide en bijgevolg niet vertrouwd was met het leven van een landelijke liberaal. Die wordt geen secretaris van de graaf. De Croo past veeleer in de rol van ruimdenkende landman die begripvol een handvol contanten toestopt - renteloos welteverstaan - aan de graaf van Oudenaarde, die financieel wat verlegen zit als het lekkende kasteeldak moet worden hersteld.

In de Wetstraat werd weleens gemonkeld om de paardrijdende liberaal die minzaam gerstebier drinkt met zijn streekgenoten, zelfs met de pastoor na de plaatselijke processie, terwijl de bouwvergunning van lokale jonggehuwden wordt besproken of de onderwijsambitie van de dochter van een naburige veldwachter wordt begeleid. Nadat De Croo in 1995 de plannen van Guy Verhofstadt dwarsboomde door Patrick Dewael te verslaan in de strijd om het VLD-voorzitterschap, schreef een ontgoochelde Verleyen hierover: ‘Hij [De Croo] aanvaardt ironisch het oude gif in de volksziel: het staan bedelen bij de macht die vergunningen verstrekt, uitzonderingen bepaalt… Geëmancipeerd is anders…’

Het liberalisme van De Croo is op de eerste plaats een strategie gericht tegen statelijke, kerkelijke of andere belemmeringen van de individuele vrijheid.

Stedelingen kunnen die generaties oude band van herenboer De Croo met zijn landstreek niet vatten. Een dorpsgenoot die moeite heeft te begrijpen wat ze daar in Brussel uitrichten en aan zijn ‘majeur’, die toevallig te paard passeert om uitleg en soms om ondersteuning vraagt, dat heet dan algauw ‘bedelen bij de macht’. Maar uitgerekend die zorg en het begrip voor de lokale medeburgers - wat ook te horen was in zijn toespraak voor het Vlaams Parlement - maakten dat extreemrechts in Brakel en omgeving slechts schoorvoetend vorderde. Men moet aan De Croo niet uitleggen wat de civiele maatschappij is. Hij ziet die dagelijks passeren in zijn bureau.

De Croo zag de partij van zijn vader muteren van Liberale Partij naar Partij voor Vrijheid en Vooruitgang, en naderhand naar Vlaams Liberaal en Democratisch en zelfs naar Open Vlaams Liberaal en Democratisch. Alleen hij bleef een liberaal in de originele betekenis van het woord: een liberaal uit de tijd dat een Kamerfractie, ook al maakte de partij deel uit van de regerende coalitie, haar zelfstandigheid bewaarde tegenover het ‘elective dictatorship’, zoals de Engelse Lord Hailsham de uitvoerende macht bestempelde.

Het liberalisme van De Croo is op de eerste plaats een strategie gericht tegen statelijke, kerkelijke of andere belemmeringen van de individuele vrijheid. Eigenlijk bestaat er geen liberale politiek, alleen een liberale kritiek op de macht van de staat. Toen paars zich opmaakte om in naam van de strijd tegen het internationale terrorisme de politie en de veiligheidsdiensten bijzondere opsporingsmethoden te verlenen, was De Croo een van de weinige Wetstraatbewoners, zo niet de enige, die daar openlijk vragen bij stelde.

De Croo, die binnenkort uit de politiek stapt, vatte het voor zichzelf ooit als volgt samen: ‘In de Michelbeekse aarde liggen de beenderen van 500 jaar familie. Het graf, waar ik op een dag zal rusten, is maar de samenvatting van het DNA van zoveel generaties die in mij aanwezig zijn. Wat ik ben, is de top van een piramide van wat is geweest. Ik ben een van de steentjes aan de basis van de piramide van later.’ Edmund Burke had het wellicht niet anders geformuleerd.

Ooit zal men teruggrijpen naar die laatste toespraak van Herman De Croo in het Vlaams Parlement. Om te weten hoe het was.

Lees verder

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud