opinie

Radicale onbekwaamheid

Alle partijen die straks worden gevraagd om mee te besturen, liggen aan de oorsprong van het begrotingsmoeras. Zoals al bleek tijdens de kiescampagne heeft niet één ervan nog maar de aanzet van een bijsturingsplan.

Terwijl ze zich bij de meeste partijen vertwijfeld zaten af te vragen welke afslag ze op 26 mei hadden gemist, kwam de academische wereld met het antwoord: het vertrouwen van de kiezer in de politieke partijen en de politiek is zoek. Volgens onderzoekers van liefst drie universiteiten, VUB, ULB en KU Leuven, toonden vooral de Vlaams Belang-kiezers uitgesproken ‘negatieve emoties’: woede, angst, frustratie en bezorgdheid. Die analyse moet kloppen, want ze sluit perfect aan bij wat caféhouders, winkeliers, chauffeurs van De Lijn, treinbegeleiders van de NMBS en bedienden achter overheidsloketten voor de verkiezingen al wisten. Blijft de vraag: hoe dat vertrouwen herstellen?

De jongste bevindingen over de precaire budgettaire situatie waarin het land ondanks de historisch lage rente vastloopt, is zeker geen opsteker. Het monitoringcomité waarschuwde eerder deze week dat het gat in de federale begroting van 2019 dreigt op te lopen tot bijna 7 miljard euro. Of een tekort van 1,5 procent, in plaats van de 0,7 procent die de regering van Charles Michel eind vorig jaar had geraden.

In een studiogesprek in ‘Terzake’ wees vicepremier en minister van Financiën Alexander De Croo (Open VLD) op de jaarlijkse stijging met 2 miljard euro voor de vergrijzing - in een tempo van 150 miljoen per maand - en op de stijging met een klein miljard euro per jaar van de uitgaven voor de gezondheidszorg. Hij schreef de ontsporing toe aan de val van de regering, nadat de N-VA begin december 2018 uit de coalitie was gestapt uit onvrede met het VN-migratiepact. Sindsdien manoeuvreert premier Michel zich door lopende zaken met de nog resterende minderheidsploeg. Elke maand zonder nieuwe regering dikt de begrotingsfactuur verder aan, volgens minister De Croo.

Als dat nog even duurt, sluiten specialisten niet uit dat het tekort oploopt tot 10 miljard euro. Zo komt het totaal allengs in de buurt van de voorspelling van Voka-econoom Bart Van Craeynest. Hij kwam uit bij een factuur van om en bij 18 miljard euro, vergrijzingskosten en noodzakelijke investeringen inbegrepen, die een volgende regering voor haar rekening moet nemen.

Dat verklaart waarom de partijen niet drummen om aan de formatie te beginnen. Want die gedwongen inspanning is vergelijkbaar met de budgettaire verbouwing die Jean-Luc Dehaene (CD&V) destijds moest doorvoeren om België in de eurozone te slepen.

Uiteindelijk zal iemand de partijen streng moeten toespreken, ze de echte federale boordtabellen onder de neus duwen en ze op hun verantwoordelijkheid wijzen.

Wie het meemaakte, herinnert zich de belastingverhogingen, de verkoop van het goud van de Nationale Bank van België, de sale-and-lease-back-operaties met NMBS-treinen. Het resultaat werd bereikt: een primair overschot van 6 procent, zoals aan Europa was beloofd. Tot Guy Verhofstadt in 1999 uitpakte met paars-groen en naderhand met paars. Miljarden gingen door de afvoer, tot het geld letterlijk op was.

Het geld is nog altijd op. Op dat vlak steekt de regering van Charles Michel, met haar ongedekte verlaging van de vennootschapsbelasting, die van Guy Verhofstadt naar de kroon. Mocht paars de koers van Dehaene hebben doorgetrokken, dan had het federale koninkrijk de bankencrisis beter verteerd en had het er vandaag veel rianter voor gestaan.

De enige partijen die de afgelopen 20 jaar onafgebroken in de regering zaten, zijn de liberale MR en Open VLD. Zij weten dus precies waar het beleid van Dehaene werd omgebogen en hoe België belandde in het huidige begrotingsmoeras waar het maar niet uit geraakt.

‘Het is oorlog’

In een commentaar over de Amerikaanse president Donald Trump en de nieuwe Britse premier Boris Johnson had een chroniqueur van The New York Times het onlangs over ‘radicale incompetentie’. Het Belgische regeringsverhaal van de twee afgelopen decennia is er ook een van radicale onbekwaamheid om het bestuurlijke roer om te gooien. Van onbekwaamheid ook - of was het pure onwil? - om echte onderhandelingen op gang te brengen met de betrokken sociale partners en met het nieuwe middenveld over een sociale energietransitie en over de noodzakelijke hervormingen van de arbeidsmarkt.

Niet één van de partijen die wellicht gevraagd worden om te besturen kan zich onttrekken van de medeverantwoordelijkheid voor de scheefgegroeide situaties. De Franstalige partijen dragen de verantwoordelijkheid voor de blijvende kloof tussen Wallonië en Brussel en het noorden van het land. De Vlaamse regeringspartijen slaagden er maar niet in Vlaanderen gelijke tred te laten houden met Nederland en Duitsland.

Helaas leverde geen van die partijen tijdens de kiescampagne de aanzet voor noodzakelijke bijsturingen. Het is niet de verlaging van de btw op elektriciteit en andere onnozelheden die het verschil zullen maken. Toch zal uiteindelijk iemand de partijen streng moeten toespreken, ze de echte en niet de door hen bijgekleurde federale boordtabellen onder de neus duwen en ze op hun verantwoordelijkheid wijzen.

In 1981 nam koning Boudewijn die taak nog op zich. Dat was na de val van Martens IV, een van die rooms-rode monsterregeringen met 25 ministers en 7 staatssecretarissen, die compleet verlamd raakte omdat de socialisten niet wilden weten van Martens’ economische Noodplan. Na de val van de regering riep koning Boudewijn alle partijvoorzitters bijeen (op Karel Dillen van het Vlaams Blok na) met de voorzitters van Kamer en Senaat - die toen nog een politiek gewicht hadden - en de vertegenwoordigers van de sociale partners. Als een stel balorige schooljongens werd de aanwezigen de oren gewassen. ‘Zeven regeringen in zeven jaar’, de koning vond dat het welletjes was.

Tijd om de geschillen opzij te schuiven en voorrang te geven aan de overleving, want dat was waar het volgens hem op stond. ‘Het is nu oorlog’, zei hij. ‘Oorlog voor het behoud van onze economie, voor het welzijn van allen en vooral voor de minstbedeelden, voor onze plaats in de wereld.’

Enkele dagen later werd Mark Eyskens (CD&V) als formateur uitgestuurd. Zijn regering - opnieuw een coalitie met de socialisten - die enkele maanden standhield, blijft het schoolvoorbeeld van malgoverno. Nog voor de val van Eyskens werd Wilfried Martens door Paul Willem Segers, de politieke spelbepaler van de christelijke arbeidersbeweging, aangemaand zich klaar te houden om na verkiezingen de nieuwe premier te worden. Het vervolg is bekend: een regering van christendemocraten en liberalen die met bijzondere machten regeerde en de noodzakelijke devaluatie doorvoerde, begeleid met snoeiwerk in de uitgaven maar ook met sociale maatregelen.

Vandaag is er niemand meer om de politieke verantwoordelijken streng toe te spreken. Koning Filip heeft die macht niet. De informateurs Didier Reynders (MR) en Johan Vande Lanotte (sp.a) mogen er dan al aan denken de partijen aan tafel te roepen. Het ontbreekt hen aan gezag om de partijvoorzitters onder druk te zetten. Beide informateurs hebben de voorbije 20 jaar doorgebracht in de opeenvolgende regeringen, hetzij als minister van Financiën, hetzij als minister van Begroting. Ze dragen bijgevolg mee de verantwoordelijkheid voor het op te ruimen puin. Alleen de anonieme ambtenaren van Eurostat, die de Belgische boekhouding uitpluizen, hebben de zweep om het Wetstraatvolk aan de teugel te dwingen.

Lees verder

Tijd Connect