opinie

Rode hanen, rode leeuwen

‘Bevriende vijanden.’ Zo omschreef Guy Spitaels de relatie tussen de PS en de SP (nu sp.a) na de splitsing van de oude BSP-PSB. In een boek met die titel vertelt de historicus Harry Van Velthoven hoe de Belgische socialisten uiteengroeiden.

Vlaamse partijen vergeten weleens wat Karel Van Miert na de splitsing van de unitaire BSP-PSB zei: ‘Als grootste Franstalige partij stuurt de PS aan op een volledig autonoom beleid in een zo volledig mogelijk autonoom Wallonië.’ De PS is in de eerste plaats een regionalistische, Waalse partij. ‘De Walen beschouwen België niet langer als hun project’, liet de Luikse socialist Jean-Claude Marcourt jaren geleden al verstaan. Waar het volgens de PS nog om draait, is de verdeling van de macht en het sturen van de federale middelen. De Brusselse burgemeester Philippe Close was onlangs overduidelijk in De Tijd: ‘Als we de sociale zekerheid splitsen, heeft België geen belang meer.’ Hij herhaalde wat zijn partijgenoot en burgemeester van Charleroi Paul Magnette eerder al verklaarde.

Bij de PS zijn ze beter voorbereid op de grote, in hun ogen onvermijdelijke communautaire explicatie dan in Vlaanderen wordt aangenomen. In het verleden is al vaker gebleken dat de PS de confrontatie niet uit de weg gaat als de Waalse belangen op het spel staan. Zoals nu.

Eerder deze week merkte gewezen minister en nu topman van de socialistische mutualiteiten Jean-Pascal Labille op dat dit de laatste bestuursperiode is voor de nieuwe bijzondere financieringswet van kracht wordt. Vanaf 2024 verliest Wallonië elk jaar 10 procent van het toegekende compensatiemechanisme, tot in 2034 de teller op nul komt. Die afspraak werd ironisch genoeg vastgelegd door de regering van Elio Di Rupo. De komende regeerperiode biedt een laatste kans om dat kwalijke vooruitzicht om te gooien. PS-voorzitter Di Rupo gaf voor de verkiezingen al een hint in die richting. Dat verklaart ook waarom de PS federaal liever van wal steekt zonder de N-VA.

De Waalse socialisten hebben nooit getreuzeld om zo nodig de grote middelen in te zetten. Het was stakingsleider André Renard die eind jaren vijftig het federalisme op de onderhandelingstafel bracht. André Cools aarzelde niet om in 1978 de unitaire BSP-PSB op te blazen, zonder dat daar een congres aan te pas kwam. Om in 1987 de terugkeer van de PS aan de macht te forceren bediende Guy Spitaels zich van het Voerense breekijzer José Happart. In 1991 dreigde Philippe Moureaux met de ‘institutionele atoombom’ als er geen Waalse wapens naar de Perzische Golf mochten vertrekken. En Di Rupo stapte in 2008 zonder verpinken in de regering van Yves Leterme zonder de Vlaamse sp.a-kameraden.

Bij de PS zijn ze beter voorbereid op de grote, in hun ogen onvermijdelijke communautaire explicatie dan in Vlaanderen wordt aangenomen.

De Waalse socialisten hebben zich overigens nooit laten hinderen door de Vlaamse socialisten. Daarover gaat het boek ‘Bevriende vijanden’, waarin de historicus Harry Van Velthoven beschrijft hoe de Belgische socialisten uit elkaar groeiden.

Na de voorpublicaties uit Van Velthovens boek in WT, het tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, schreef de historicus Bruno De Wever: ‘Eind 1938, kort voor zijn dood, had Emile Vandervelde, de ‘patron’ die de partij decennia had geleid, al gewaarschuwd dat de Belgische Werkliedenpartij (BWP) evolueerde naar het katholieke model, refererend aan het uiteenvallen van de Katholieke Partij langs de taalbreuklijn in 1936. Het is te verleidelijk niet te speculeren hoe België politiek en staatkundig zou zijn geëvolueerd zonder een tweede Duitse bezetting. Zou het regionaliseringsproces vroeger zijn opgestart en zou de dynamiek en (voorlopige?) uitkomst anders zijn geweest?’

Nog voor de Eerste Wereldoorlog flakkerden de communautaire spanningen tussen de Vlaamse en de Waalse socialisten op, zoals Maarten Van Ginderachter optekende in ‘Het rode vaderland’. In 1910 al zat het er bovenarms op tussen Edouard Anseele en Jules Destrée over de vernederlandsing van de Gentse universiteit.

De Duitse bezetting en de collaboratie van de Vlaamse activisten deden de socialisten na de Eerste Wereldoorlog opnieuw de rangen sluiten. Tijdelijk, want in 1937 hielden de Vlaamse socialisten een apart congres. Maar ondanks de vrees van Vandervelde marcheerden de socialisten na de Tweede Wereldoorlog alweer onder één vlag. Al was die eendracht schijn. Want, zo sprak de Luikse socialist en confederalist François Van Belle in 1945 al: ‘Het taalprobleem is slechts de schors boven het Waals-Vlaamse probleem dat moet worden opgelost.’

In 1978 kwam de definitieve breuk. Na de mislukking van het Egmontpact kondigde de Luikse socialist André Cools, de Franstalige covoorzitter van de BSP, eenzijdig de scheiding af. Voor de Vlaamse covoorzitter Karel Van Miert was dat een aangename verrassing. Hij zat al langer op aan andere communautaire lijn dan Cools, met wie hij persoonlijk moeilijk overweg kon. Bovendien was Van Miert verbijsterd toen hij bij zijn aantreden ontdekte door welke bedrijven de partij werd gesponsord, onder meer door het wapenbedrijf FN.

Linkse negationisten

Voor insiders stond die communautaire scheiding in de sterren geschreven. VRT-journalist en partijmilitant Jan Ceuleers schreef naderhand dat zelfs Willy Claes, die Van Miert als Vlaamse covoorzitter voorafging, ook al in het geheim had vergaderd met de Vlaamse partijvoorzitters. Tien jaar eerder was het tot een clash gekomen tussen de Vlaamse en de Franstalige socialisten in Brussel-Halle-Vilvoorde. Uit onvrede met de lijstvorming door de Franstaligen trokken de Rode Leeuwen rond Hendrik Fayat met aparte lijsten naar de verkiezingen van 1968.

Dat de SP telkens mee aan de wieg van de grote staatshervormingen stond, had veeleer te maken met de opstelling van de PS. Zelf heeft de SP/sp.a nooit het voortouw genomen in de communautaire onderhandelingen. Al probeerde Van Miert wel Hugo Schiltz in te lijven bij de SP. En Van Velthoven verwijst naar Norbert De Batselier. Die vond dat de Vlaamse emancipatiestrijd niet mocht worden gekaapt door een xenofoob nationalisme en worden overgelaten aan rechts conservatief Vlaanderen. Hij veroordeelde zowel de voorstanders van de ‘eigen onveranderlijke Vlaamse volksaard’ als de Vlaamse ‘identiteitshaters’, die zich vooral geen Vlamingen wilden laten noemen. Ooit zei Johan Vande Lanotte iets gelijkaardigs over ‘het linkse negationisme dat de problemen verstopt onder de mantel van de relativering, solidariteit, algemene rechtsprincipes en wereldburgerschap’.

Het had, zoals Bruno De Wever aangaf, anders kunnen lopen, mocht de scheiding van de BSP zich eerder hebben voltrokken en mochten de Vlaamse socialisten al hun aandacht op Vlaanderen hebben toegespitst. Helaas zullen we dat nooit weten.

Lees verder

Tijd Connect