column

Vader van De Tijd

‘Geduld is het gevaarlijkste extremisme.’ De uitspraak is van de jonge, inderdaad ongeduldige Gaston Eyskens, die als minister van Financiën en als premier het pad effende voor de oprichting van de krant De Tijd.

In hun boek ‘Radioscopie de la presse belge’ - uit 1975 maar nog altijd van documentaire waarde - besteedden de RTBF-auteurs René Campé, Marthe Dumon en Jean-Jacques Jespers geen letter aan wat zij ‘de commerciële en financiële pers’ noemden. Lloyd Anversois, L’Echo de la Bourse, de Financieel-Economische Tijd en Les Sports bleven onbesproken.

Dat viel deels te begrijpen. Lloyd Anversois, die pas in 1979 een Nederlandse versie kreeg, en L’Echo de la bourse, in 1881 gesticht door Brusselse wisselagenten, waren van een volstrekte grijsheid. Tot de komst van de Financieel-Economische Tijd en later het tijdschrift Trends was het uitgeven van nieuwe zakenpublicaties vaak een bedrijvigheid van kleine, meestal Franstalige uitgevers. Hun probeersels deden niet onder voor het Algemeen Wereldtijdschrift in Willem Elsschots ‘Lijmen/Het Been’. Een ondernemer die zijn portret op de kaft wilde met binnenin een hoera-artikel over zijn bedrijf, kon dat krijgen, mits een discrete bijdrage tot het financiële welzijn van de uitgever.

De Financieel-Economische Tijd, later ingekort tot De Tijd, werd bij de verschijning in 1968 vooral gedragen door het Vlaams Economisch Verbond (VEV), nu Voka. In de bestuurskamer zetelden zwaargewichten uit het Vlaamse bedrijfsleven zoals Hendrik Cappuyns, directeur-generaal van Gevaert, de bankiers Vaast Leysen, Maurits Naessens en Fernand Nédée, naast de Kortrijkse ondernemer Pol Provost, die het VEV voorzat, en diens directeur Frans Wildiers, broer van de befaamde filosoof Max Wildiers. De redactie bestond uit geroutineerde journalisten. Na amper vijf jaar was de krant al uit de rode cijfers.

©Photo News

Dat de makers van de ‘Radioscopie de la presse belge’ die nieuwe persstem onderschatten, was opmerkelijk. Want ‘de FET’, zoals De Tijd werd genoemd, kwam er net toen de Vlaamse economie aan haar hoge vlucht begon. Midden jaren zestig was het economische zwaartepunt van het land verschoven van zuid naar noord. De economische groei in Vlaanderen steeg voor het eerst sinds 1830 boven het Belgische gemiddelde.

De wegbereider daarvoor, en bijgevolg ook voor de oprichting van De Tijd, was Gaston Eyskens, zonder twijfel de belangrijkste naoorlogse premier en een van de briljantste figuren in de 20ste-eeuwse Belgische politiek. Historicus Olivier Boehme, die in ‘Greep naar de markt’ de economische onderstroom van de Vlaamse Beweging in kaart bracht, noemde hem een centrale figuur die haast naadloos de overgang maakte van de voor- naar de naoorlogse periode.

Na de oorlog faciliteerde Eyskens het sociaal overleg door de sociale partners inspraak te geven in tal van instellingen. Zijn expansiewetten eind jaren vijftig en de bijbehorende miljardensubsidies misten hun effect niet in Vlaanderen.

Hij ging daarbij niet over één nacht ijs. In 1955 al stichtte hij aan de Leuvense universiteit het Centrum voor Economische Studies. Academici als Vic Van Rompuy, vader van Herman en Eric Van Rompuy, de jonge Gaston Geens, later de eerste Vlaamse minister-president, en John Van Waterschoot verrichtten studiewerk over de regionale economie en probleemgebieden in zowel Vlaanderen als Wallonië, en over de hoge werkloosheid in Oost- en West-Vlaanderen, in het Turnhoutse en in het Hageland. Want Eyskens’ economische politiek was ook een sociale politiek. ‘Het is indrukwekkend om te zien hoe Eyskens begon in de jaren twintig en eindigde in de jaren zeventig, en altijd op zijn lijn bleef’, zei Boehme.

Cryptoseparatist

Die lijn was klaar: het veroveren van de politieke en economische macht door de Vlamingen. En geduld was daarbij het gevaarlijkste extremisme, volgens de jonge Eyskens in zijn vooroorlogse toespraken.

Hij had inderdaad geen geduld met domheid en werd niet graag tegengesproken. In 1958 vormde hij ondanks het verzet van koning Boudewijn een minderheidsregering. Die sloot het schoolpact, met liberalen en socialisten maar tegen de zin van kardinaal Jozef Van Roey, dat een einde maakte aan de jarenlange strijd tussen het officieel en het vrij onderwijs. In 1961 weigerde hij ondanks forse druk van Boudewijn, die de koningskwestie indachtig als de dood was voor het vakbondsgeweld in Wallonië, terug te treden en plaats te maken voor Paul-Henri Spaak, de kandidaat van de koning. Eerst moest de Eenheidswet in het parlement worden goedgekeurd. En zo geschiedde.

‘De staat ontvetten om de economische groei en de sociale bescherming veilig te stellen’, klonk het al toen Eyskens eind augustus 1960 zijn wetsontwerp voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel ontvouwde. Die Eenheidswet voorzag in forse besparingen vooral in de sociale uitgaven en voorzag in nieuwe lasten. Prompt gingen de socialistische vakbonden in het verzet, vooral in Wallonië. Wat op zich al opmerkelijk was, want de Eenheidswet was grotendeels het werk van Paul-Willem Segers, Léon Servais en Oscar Behogne, die net als Eyskens aanleunden bij de christelijke arbeidersbeweging ACW.

De echte oorzaak van het verzet geleid door André Renard, de Luikse aanvoerder van de socialistische staalarbeiders, was de economische terugval van Wallonië. De vonk aan de lont was de nieuwste staalfabriek van Sidmar in Zelzate, langs het kanaal Gent-Terneuzen. ‘Sidmar is een guillotine voor Wallonië, een werktuig gecontroleerd door l’état belgo-flamand’, beweerde Renard.

Het resultaat was de bittere winterstaking van 1960-’61, die losbrak aan de vooravond van het huwelijk van koning Boudewijn met de Spaanse Fabiola de Mora y Aragón. De staking ging gepaard met geweld en sabotagedaden - het leger bewaakte de spoorlijnen. Voor de Waalse syndicale beweging, die nauwelijks steun kreeg in Vlaanderen, was de staking verloren op het moment dat de Eenheidswet in het parlement werd goedgekeurd.

Ironisch genoeg zou de wet na verkiezingen, die Eyskens’ CVP verloor, uitgevoerd worden door een regering van christendemocraten met de socialisten, geleid door Theo Lefèvre. Die regering zou ook de taalgrens vastleggen. Want, zoals de socioloog Luc Huyse opmerkte, de Winterstaking had veel ingrijpender gevolgen voor de verhoudingen tussen Vlamingen en Walen dan voor het sociaaleconomische terrein.

De uitvoering van de Eenheidswet luidde wel de Golden Sixties in, die in Vlaanderen werden gesmeerd door Amerikaanse investeringen en de weldoende ontwikkeling van de Europese Economische Gemeenschap. Eyskens zou zijn levensplan voltooien met de eerste staatshervorming in 1970, die een einde maakte aan ‘la Belgique de papa’. Het was een verregaande constitutionele ingreep voor die generatie van politici. Robert Houben, de voorzitter van de toen nog unitaire CVP-PSC, verdacht Eyskens er zelfs van een cryptoseparatist te zijn, hoewel hij een grote bewondering voor hem koesterde.

Terwijl hij er alles aan had gedaan om de economische opmars van Vlaanderen te stimuleren, had Eyskens weinig vertrouwen in de Vlaamse politici. Na het mislukken van het Egmontpact, dat in 1977 het definitieve communautaire akkoord moest worden maar dat hij verfoeide en vanuit de achtergrond mee kelderde, liet hij zich ontvallen: ‘Het zijn soms echte sullen, de Vlamingen.’

Academici en toekomstige politicologen die willen natrekken wat zijn opvolgers in de Wetstraat hebben aangevangen met de politieke en economische erfenis van Gaston Eyskens kunnen het best beginnen met het raadplegen van de eerste 50 jaargangen van De Tijd.

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content