opinie

Waarover de EU niet praat

De corona-exit verloopt in strompelpas. Premier Sophie Wilmès ordent met haar restregering de binnenstromende facturen. De Europese Unie wuift met herstelmiljarden die er nog niet zijn.

Nu en dan - maar dezer dagen wat vaker dan anders - voelen sommige politici de aandrift heel krachtig te scanderen: ‘Laat de rijken de crisis betalen!’ Dat lucht op. Helaas werd nooit achterhaald hoe men daaraan moet beginnen. Want waar zitten die rijken? En hoe die fameuze 1 procent, de allerrijksten, te dwingen tot het bijpassen van de coronaschade, liefst zonder al te veel gemor?

In 1939 al stelde de econoom John Maynard Keynes een gelijkaardige vraag: ‘Kunnen de rijken de oorlog betalen?’ Hij bracht de kwestie te berde in zijn bekende essay dat bij het begin van de oorlog in The Times verscheen: ‘How to Pay for the War’. Maar zelfs de heilige Keynes, die in de huidige crisis graag wordt aangeroepen, kwam tot de vaststelling dat men van de rijken niet kon verwachten dat zij in hun eentje de oorlogsinspanning zouden dragen. Daarom hield hij het toch maar bij een belastingverhoging, opgelegde besparingen en de verplichting van werknemers een deel van hun loon uit te lenen aan de staat, liever dat dan tekortfinanciering.

Met een tekortfinanciering zijn de verschillende regeringen hier al begonnen nu de corona-exit in strompelpas op gang komt. Terwijl partijvoorzitters al vechten om over het federale karkas te mogen regeren, ordent premier Sophie Wilmès (MR) met haar restregering de binnenstromende facturen. Kan een btw-verlaging naar 6 procent straks de horeca-activiteit aanzwengelen - en geldt die 6 procent ook bij het serveren van Château Cheval Blanc? Goochelen met btw-tarieven is een van de veelgebruikte trucs die zelden het beoogde effect ressorteert.

In een crisis als deze wordt het beleid ook met het verleden geconfronteerd.

In een crisis als deze wordt het beleid ook met het verleden geconfronteerd. De federale regering moet straks Brussels Airlines overeind helpen. Daarbij gaat het niet alleen om de werkgelegenheid bij de luchtvaartmaatschappij, maar ook om het welzijn van de luchthaven. Want Brussels Airlines staat voor nagenoeg 40 procent van de Zaventemse trafiek. Met als gevolg dat de regering niet alleen Brussels Airlines maar tegelijk de aandeelhouders van Brussels Airport Company moet aansterken.

De Antwerpse sp.a’er Marcel Colla waarschuwde destijds voor de privatisering van de luchthaven door de regering van Jean-Luc Dehaene. Volgens hem kon men maar beter Sabena verkopen en de winstgevende luchthaven behouden. Colla werd weggelachen, maar kreeg naderhand gelijk van zijn socialistische kameraad en BAC-kopstuk Pierre Klees, die in Trends verklapte: ‘Met een luchthavengebouw kan geen geld worden verloren. Taksen, landingsrechten en handelsconcessies, dat valt allemaal als manna uit de hemel. Het toenemende luchtverkeer doet daar nog een schep bovenop. Als dat nog niet genoeg is en de factuur blijkt hoger te liggen, dan wordt de schuld gewoon van tafel geveegd door de taksen op te drijven.’

Ter gelegenheid van Rerum Novarum kwam ook de christelijke arbeidersbeweging met eisen om het coronamoeras te dempen: een structurele loonsverhoging in de zorgsector, arbeidsherverdeling, een soepeler toepassing van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), en uiteraard een solidariteitsbijdrage van de grote vermogens. En dan is er die olifant in de kamer: de toenemende armoede. Wat MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez niet belet al een belastingvermindering te beloven voor kleinere bedrijven en lagere inkomens. Dat geldt als opbod tegen zijn PS-collega Paul Magnette, die uitpakt met een relanceplan van om en bij 50 miljard euro om vooral de binnenlandse vraag te stimuleren.

Fiscale omwalling

Er staat geen maat op de spendeerdrift van de politici. Open VLD-Kamerlid Christian Leysen, een zuinig zakenman, slaat de schrik om het hart. ‘De nv België geeft miljoenen uit, die er niet zijn, om de coronacrisis op te vangen. De rekening zal vroeg of laat komen’, waarschuwde hij in de Kamer. Bovendien is het maar de vraag of onze belastingsystemen voorzien zijn op al die uitgaven. Niet zozeer de personenbelasting dan wel de vennootschapsbelasting.

De naoorlogse Belgische vennootschapsbelasting werd verder gebouwd op de wijzigingen die de Duitse bezetter oplegde in 1941 en 1942. Ondanks het opeenvolgend gepruts is die allang niet meer voorzien op de fiscale omwalling die vooral grote en internationale bedrijven de afgelopen decennia hebben opgetrokken. Het gaat  om vennootschapsconstructies met transmissiebanden en ophaalbruggen allerhande naar buitenlandse fiscale burchten, die Europa faciliteert. Kolossale bedragen worden door de bedrijven aan consulenten gespendeerd om belastingen te omzeilen. Soms wordt het hen ook gratis aangereikt, zoals in België, met de notionele intrestaftrek.

In maart 2019 keurde het Europees Parlement een resolutie goed waarin de Europese Raad werd gevraagd om Nederland, Ierland, Luxemburg, Malta en Cyprus als belastingparadijzen te klasseren. De resolutie ligt al een jaar stof te vergaren. Minstens twee van die landen, Malta en Cyprus, mogen zelfs als witwasstaten worden gerangeerd. Een recente reportage in Financial Times over de Russische aanwezigheid in Cyprus liet hierover weinig twijfel. Eenzelfde verhaal kan worden geschreven over Malta. De EU knijpt de ogen dicht. Er zijn kwesties waar ze in de Europese hoofdkwartieren liever niet over praten.

In een crisis als deze wordt het beleid ook met het verleden geconfronteerd.

Afgelopen week was er wat te doen om het Frans-Duitse ontwerp van een herstelfonds om over de coronaschok heen te komen. De Duitse kanselier Angela Merkel en de Franse president Emmanuel Macron pleitten voor een herstelfonds van 500 miljard euro. Dat moet de Europese Commissie bijeensprokkelen op de financiële markten, die met goedkoop geld worden vertroeteld door de Europese Centrale Bank. Die miljarden zullen in de vorm van goedkope leningen en zelfs subsidies worden gedraineerd naar de ergst getroffen lidstaten en naar apegapende sectoren. Wie Europa een beetje volgt, weet dat dan het vriendjeskapitalisme nooit veraf is. Ook nu is er weer sprake van plastictaks, klimaatheffingen en vliegtuigtaksen, telkens taksen die uiteindelijk op de verbruikers worden verhaald.

De Europese integratie wordt pas echt bevorderd wanneer eindelijk een eenvormige Europese vennootschapsbelasting wordt opgelegd.

Geeft het initiatief van Merkel en Macron de EU het noodzakelijke nieuwe elan? Het enthousiasme lijkt niet overweldigend. Veel belangrijker dan die lapmiddelen is het ontbreken van een eenvormige Europese vennootschapsbelasting. De Italiaanse academicus Guido Montani, medestichter van het Spinelli Instituut, vindt het ontbreken daarvan een heus schandaal. Dat en de onderlinge fiscale concurrentie tussen de lidstaten die een neerwaartse spiraal veroorzaakt, kunnen de Europese Unie niet blijven negeren. En alle internationale organisaties zijn medeplichtig aan dat verzuim, ook de Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking (OESO). De OESO staat altijd klaar om de les te lezen, maar wordt plots heel timide als het over vennootschapsbelasting gaat. Terwijl het bekend is dat het gebrek aan een nauwsluitende Europese vennootschapsbelasting schadelijk is niet alleen voor de sociale programma’s van de lidstaten maar ook voor de economische groei in de Unie.

De scharrelmiljarden voor zogenaamde herstelfondsen zullen het Europese project niet redden. De Europese integratie wordt pas echt bevorderd als eindelijk een eenvormige Europese vennootschapsbelasting wordt opgelegd, ook aan de lidstaten die hun fiscale ontsnappingsroutes ter beschikking stellen van het internationale bedrijfsleven. Al de rest, zoals de telco tussen kanselier Merkel en president Macron, zijn oefeningen in politieke communicatie.

Lees verder

Gesponsorde inhoud