column

Zoals het klokje in de Kamer tikt

‘Het is intussen duidelijk dat België zijn besluitvormingswijzen niet langer onder het etiket van parlementaire democratie kan verstoppen.’ Die vaststelling deed de Leuvense politicoloog Wilfried Dewachter twintig jaar geleden. En ze geldt nog altijd.

Er staan nu afzichtelijke klokken in het 19de-eeuwse decor van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Over het aanbrengen daarvan is naar verluidt diep nagedacht. De digitale aftelklokken moeten de spreektijd van de Kamerleden tijdens het wekelijkse vragenuur inperken tot twee minuten. Een wat vreemde ingreep, want het vragenuur zelf is een vrij zinloze oefening die in het beste geval de Kamerleden toelaat zich even te laten opmerken in ‘Villa Politica’. Meestal zijn de vragen herhalingen van de krantenkoppen van de dag. Ministers lezen er antwoorden voor die door een kabinetsmedewerker zijn geschreven en hen vaak bij het betreden van het parlement in de hand werden gestopt. Aan de gang van de politieke besluitvorming hebben die interventies tijdens het vragenuurtje nooit iets veranderd.

Ook in het Vlaams Parlement moeten de verkozenen strakker aan de leiband. Vanaf januari mogen vragenstellers zich niet meer op het spreekgestoelte aandienen met een spiekbrief. Wie het toch waagt, wordt door voorzitter Liesbeth Homans (N-VA) onverbiddelijk terug naar het bankje gestuurd.

De politieke besluitvorming, in handen van de top van de regerende partijen, is niet meer bestand tegen een echte parlementaire controle.

Het zijn maar twee voorbeelden van de manier waarop de parlementaire werking steeds meer tot een inhoudsloos ritueel wordt herleid. Dat het echte werk in de commissies zou gebeuren, is fictie die niet langer vol te houden is. Meer dan een ritueel mag het ook niet zijn. De politieke besluitvorming, in handen van de top van de regerende partijen, is niet meer bestand tegen een echte parlementaire controle. Hendrik Vuye en Veerle Wouters, twee voormalige N-VA-Kamerleden die in onmin vielen met de partij, illustreren dat met hun boek ‘Schone schijn’. Daarin tonen ze aan hoe de particratie de democratie letterlijk versmacht.

Het boek van de twee ervaringsdeskundigen sluit wonderwel aan bij wat politicoloog Wilfried Dewachter, emeritus van de KU Leuven, twintig jaar geleden formuleerde in ‘De mythe van de parlementaire democratie’. Zijn boek eindigde met de pijnlijke conclusie: ‘Het is intussen wel duidelijk dat België zijn besluitvormingswijzen niet langer onder het etiket van parlementaire democratie kan verstoppen.’ Die vaststelling geldt nog altijd. En de situatie is er de jongste decennia niet op verbeterd.

Vuye en Wouters merken terecht op dat de parlementsleden perfect in staat zijn de controlemacht te heroveren die de grondwetgever van 1831 hen gaf. Niets belet hen de macht van de partijen te breken. Er is volgens de auteurs maar één obstakel: de parlementsleden zelf. Of zoals Dewachter destijds al stelde: ‘Zwakke parlementsleden trekken zwakke kandidaten aan, die op hun beurt de instellingen nog verzwakken.’

Dewachter heeft over de hele lijn gelijk gekregen, bevestigen Vuye en Wouters. De partijen hebben intussen een extra knoet om hun parlementsleden in bedwang te houden: de partijfinanciering, 72 miljoen per jaar uit de overheidskoffers. Die zorgt ervoor dat België vandaag minder kiezers telt dan in 1831, beweerde Herman De Croo (Open VLD) ooit. Want de echte kiezers zijn de partijkopstukken die bepalen wie op welke al dan niet verkiesbare plaats op de lijst komt en wie campagnefinanciering krijgt. Maar ook aan die compleet ontspoorde partijfinanciering kunnen de parlementsleden een einde maken. Alleen blijken ze zich te nestelen in het materiële comfort dat de partijbeschutting hun biedt.

Europese greep

Het federale parlement had de voorbije zes maanden zonder regering kunnen gebruiken om na te denken over zijn werking. Niet over de plaatsing van een klok en de tweeminutenregel, maar over de rol van het parlement als controleur van de uitvoerende macht, en over de Europese greep op het nationale beleid. Het ontbreekt niet aan voorbeelden die aantonen dat die controle vrijwel onbestaande is en dat de media vaak eerder de alarmklok luiden dan de parlementsleden.

Uitgerekend deze week publiceerde The Washington Post de ‘Afghanistan Papers’. Die maken duidelijk dat de militaire operaties in dat land, waar ook Belgische soldaten jaren actief waren, op een complete mislukking uitdraaiden. In het federale parlement werden nooit vragen gesteld, nooit trokken parlementsleden naar Afghanistan om de rapporten van Landsverdediging grondig op hun waarheidsgehalte te onderzoeken. In de coulissen circuleren vandaag gelijkaardige verhalen over de onzin van de aanwezigheid van Belgische soldaten in het jihadistenhol dat Mali is geworden, ondanks die militaire aanwezigheid. Maar dat lijkt de Kamerleden niet buitenmaats te interesseren.

Een tijd geleden nam het parlement toenmalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) in de tang wegens de Soedanese veiligheidsagenten die hier transmigranten en andere vluchtelingen kwamen screenen. Maar het bleek niet eens op de hoogte van de akkoorden die Europa eerder al had gesloten met het Soedanese regime van moordenaar Omar al-Bashir en dat in Eritrea.

Meer dan ooit zitten de nationale en regionale parlementen geprangd tussen de regering, die absolute gehoorzaamheid eist van de coalitiepartners, en Europa. De muntunie heeft feitelijk een einde gemaakt aan de controle van het federale parlement op de begroting, het ultieme wapen van elk parlement. Het laatste woord over de begroting is nu dat van de onverkozen controleurs van Eurostat.

De greep van Europa op het federale en zelfs het regionale beleid neemt hand over hand toe. Ten tijde van de Griekse crisis liet Europees Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker zich zelfs ontvallen dat er geen democratische keuze tegen de Europese verdragen kan worden gemaakt. De Grieken weten daar alles van.

De greep van Europa op het federale en zelfs het regionale beleid neemt hand over hand toe.

Terwijl de Vlaamse regering over een bescheiden klimaatplan zit te praktiseren, pakt de Europese Commissie uit met een kloeke Green Deal. Als de lidstaten daarover een consensus bereiken, dwingt die tot verregaande maatschappelijke en economische keuzes. Zo zal Vlaanderen met zijn zeehavens rekening moeten houden met de gevolgen van de Europese plannen voor de vervuilende scheepvaart. Een ander gevolg is de herziening van de Europese investeringshulp aan de lidstaten en een grondige hertekening van de energietaksen.

Maar uit wat Europees commissaris Frans Timmermans over zijn ontmoeting met Vlaams minister van Omgeving en Energie Zuhal Demir (N-VA) vertelde, kan je alleen besluiten dat de Vlaamse regering totaal niets wist van de plannen van de Commissie. Naast de Green Deal, die volgens voorzitter Ursula von der Leyen in de loop van 2020 door Europese wetgeving wordt omkaderd, zijn de Vlaamse ambities onbeduidend. Ze doen overigens weinig ter zake omdat ook Vlaanderen zich finaal naar de Europese bevelen moet schikken. Voor wie het wilde weten, was al langer duidelijk dat de Europese engagementen bij de ondertekening van het klimaatverdrag van Parijs ook bindend zijn voor de lidstaten en de regio’s. Toch werd tijdens de voorbije parlementaire discussies over de klimaattransitie niet of amper getaald naar de Europese verbintenissen en de gevolgen daarvan.

De parlementen, federaal en regionaal, zijn uitgerust om de rol van controleur voluit te spelen. Ze hebben de materiële en financiële middelen om de Himalaya aan te pakken. Helaas raken ze telkens bij de eerste molshoop al buiten adem.

Lees verder

Gesponsorde inhoud