China moet op zoek naar een dienstenrevolutie

China zal de yuan geleidelijk laten stijgen tegenover de dollar. Graag of niet, die stijging komt er na de loonstakingen van de arbeiders. Als exportgoederen duurder worden, moet China voor zijn groei op zoek naar een omwenteling in de dienstensector.

Chinese beleidsmakers kunnen dan wel wikken en wegen over het hoe en wanneer van een muntappreciatie, inmiddels hebben de fabrieksarbeiders met hun voeten gestemd - en met hun stakingsposten.

De Japanse autobouwer Honda heeft de arbeiders van zijn versnellingsbakkenfabriek in China een opslag van 24 procent aangeboden om een staking te vermijden. Het Taiwanese Foxconn, dat in onderaanneming werkt voor onder meer Apple en Dell, heeft loonsverhogingen tot 70 procent aangekondigd. De Zuid-Chinese metropool Shenzhen trekt het minimumloon met 16 procent op, terwijl Peking het met 20 procent verhoogt. Het resultaat zal zijn dat de prijzen van wat China uitvoert, stijgen en dat de Chinese vraag naar importgoederen eveneens de hoogte in gaat. Dat effect zal nagenoeg hetzelfde zijn als bij een muntappreciatie.

China zou die loonsverhogingen moeten beschouwen als een maat voor zijn succes. Hogere inkomens zijn een volkomen normaal bijverschijnsel van economische groei. Het enige verschil in China is dat de correctie te lang onderdrukt is geweest, en zich nu abrupt voordoet. Het was beter geweest dat de Chinese overheid al vroeger een correctie had doorgevoerd via die muntappreciatie. Zo’n verdappering van de munt geeft arbeiders immers een grotere ‘zeg’ in de import, in plaats van in de inflatie, waar niemand gelukkig van wordt. Maar dat zijn vijgen na Pasen.

Als de exportgoederen van de fabrieken duurder worden, zal China moeten groeien door iets anders te produceren. Het zal de strategie waarin fabrieken de groeimotor zijn, moeten verlaten voor het model van een meer ontwikkelde economie, waarin de tewerkstelling toenemend geconcentreerd zit in de dienstensector.

China zal nooit India kunnen evenaren als een exporteur van hightech en zakelijke diensten, omdat het niet die grote bevolking heeft met Engels als moedertaal. Maar China heeft wel ruimte te over om persoonlijke en zakelijke diensten te leveren aan een wanhopig onderbediende, steeds voorspoediger binnenlandse markt. Het is een punt dat wordt benadrukt door Stephen Roach, de hoofdeconoom van Morgan Stanley, in zijn boek ‘The Next Asia’.

Het goede nieuws, zoals Roach opmerkt, is dat de dienstensector minder beslag legt op natuurlijke hulpbronnen en meer jobs creëert dan de industrie. Het eerste is goed nieuws voor de ecologische voetafdruk van China, het tweede voor de sociale stabiliteit in het land. Maar het slechte nieuws is dat de transitie die nu van China wordt gevraagd - een verschuiving naar diensten zonder dat daar een aanzienlijke daling van de productiviteitsgroei mee gepaard gaat - nooit gezien is in Azië. Elk snel groeiend, zwaar op industrie steunend Aziatisch land dat het geprobeerd heeft, heeft geleden onder een grote vertraging van de groei.

BELABBERD

Het probleem reikt verder dan de neiging dat de productiviteit trager groeit in diensten dan in de industrie. De productiviteitsgroei in de dienstensector van voormalige industriële Aziatische economieën is naar internationale maatstaven altijd belabberd geweest. Zowel in Zuid-Korea als Japan, twee sleutelvoorbeelden, is het probleem niet alleen dat de productiviteit in hun dienstensector tien jaar lang amper een kwart zo snel gegroeid is als in hun industrie. Het probleem is eerder dat de productiviteit van hun dienstensector maar half zo snel gegroeid is als die van de Verenigde Staten.

Hoe dat komt? In landen waar de nadruk lag op de verwerkende nijverheid, wordt de onderontwikkelde dienstensector gedomineerd door kleine traditionele bedrijven. Ze missen de schaalgrootte om efficiënt te zijn, de mogelijkheid om de moderne informatietechnologie te gebruiken, en de capaciteit om aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) te doen. In Zuid-Korea is nog geen 10 procent van O&O de jongste tien jaar gericht op de dienstensector. Dat staat in scherp contrast met de VS, waar de helft van O&O verband houdt met diensten.

Zowel in Zuid-Korea als Japan wordt de intrede van grote bedrijven in de dienstensector bemoeilijkt door een zeer beperkende regulering, waarvoor de kleine producenten een invloedrijke lobby zijn. Allerlei regels verhinderen groothandels stroomafwaarts te vertakken in de retail, en omgekeerd. En buitenlandse bedrijven, die over de nodige innovatieve organisatorische kennis en technologie beschikken, mogen niet binnen. Accountants, architecten, advocaten en ingenieurs springen dan op de trein en gebruiken restrictieve licentieverplichtingen om aanbod, concurrentie en de intocht van buitenlanders te beperken.

Men kan zich goed inbeelden dat Chinese kruideniers, slagers en gezondheidswerkers dat voorbeeld maar al te graag volgen. Dat zou rampzalige gevolgen hebben. Waar de toegevoegde waarde in de Chinese nijverheid met 8 procent per jaar is gegroeid, zal de productiviteit in de dienstensector wellicht niet boven 1 procent uitkomen als China ongelukkig of onwijs genoeg is het voorbeeld van Zuid-Korea en Japan te volgen.

Arbeiders aanwerven in sectoren waar hun productiviteit stagneert, is zeker geen recept voor sociale stabiliteit. China moet het patroon vermijden waarbij de voorbije veronachtzaming van de dienstensector een klasse functionarissen in het leven roept die met politieke middelen hun positie handhaven. Misschien slaagt China erin dat lot te ontwijken. Tenminste op dit vlak ligt er dan toch een niet zo grimmig voordeel van geen democratie te zijn.

Barry EICHENGREEN is hoogleraar economie en politieke wetenschappen aan de University of California, Berkeley.

© Project Syndicate

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud