Robert Shiller: Een man zonder plan

Tijdens de recente campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen wezen de opiniepeilingen steevast uit dat de kiezers zich in de eerste plaats over de economie zorgen maakten - en dan met name over de werkloosheid. De Republikeinse uitdager Mitt Romney trachtte daar munt uit te slaan. “De plannen van de president hebben niet gewerkt - hij heeft geen plan om de economie weer op gang te krijgen,” zo beweerde Romney.

Toch werd Barack Obama herkozen. Dat was wellicht te danken aan de licht aantrekkende economie ten tijde van de verkiezingen (net als in 1936 toen Franklin Roosevelt de Republikein Alf Landon versloeg, ook al woedde de Grote Depressie nog door). De overwinning van Obama kan echter ook een teken zijn dat de meeste Amerikaanse kiezers toch wel een zeker gevoel voor economische realiteit hebben.

De economische theorie heeft voor de politiek geen eenduidig beleidsrecept paraat. De professionele meningen lopen in de macro-economie zoals altijd sterk uiteen. Aangezien het onmogelijk is om voorgeschreven beleidsrecepten tijdens gecontroleerde experimenten uit te proberen, zullen macro-economische maatregelen nooit een definitieve test ondergaan.

Romney beschikte evenmin over een wondermiddel. Wel trachtte hij gebruik te maken van de hang naar “wishful thinking” onder kiezers: hij beloofde het overheidsapparaat te verkleinen en de marginale belastingtarieven te verlagen. Zijn plan zou gewerkt hebben als economisch herstel inderdaad het beste bewerkstelligd zou kunnen worden door meer geld in de portemonnee van de burger te laten zitten. Het electoraat is echter niet gezwicht voor wensdromen.

In zekere zin klopt het denkbeeld dat Obama geen plan heeft: geen van zijn voorstellen was substantieel genoeg om het pijnlijk langzame herstel van de Amerikaanse economie na de recessie van 2007-9 aan te zwengelen. Evenmin wisten zijn plannen de economie bescherming te bieden tegen de schokken uit Europa en tegen de afzwakkende groei in de rest van de wereld.

Waar Obama wel op kan bogen, is een goede staat van dienst in het binnenhalen van capabele economische adviseurs. Kunnen we eigenlijk nog meer van een president verlangen?

Toch wordt er in de VS tijdens campagnes voor de presidentsverkiezingen gewoonlijk niet over adviseurs of intellectuele invloeden gesproken. Er kunnen natuurlijk adviseurswisselingen hebben plaatsgevonden, maar je zou toch verwachten dat de kandidaten hun erkentelijkheid betuigen; al was het alleen maar om aan te geven waar hun ideeën vandaan komen. Wat zij realistisch beschouwd immers aan de man proberen te brengen, is niet hun eigen talent als econoom, maar hun vermogen om de expertise van anderen te kunnen beoordelen en aansturen. Ook ditmaal werd er echter geen enkel diep economisch denker of specifiek economisch model bij naam genoemd.

Aanvankelijk beschikte Obama over een zeer talentvol team van economische adviseurs dat onder meer bestond uit Lawrence Summers, Christina Romer, Austan Goolsbee en Cass Sunstein. Maar die zijn inmiddels vertrokken.

Vandaag de dag is Gene Sperling de machtigste economische adviseur in het Witte Huis. Hij leidt de National Economic Council (NEC), het agentschap dat president Bill Clinton in 1993 in het leven riep als zijn voornaamste bron van economische beleidsadviezen (waarmee de Council of Economic Advisers enigszins terzijde werd geschoven). Voor een benoeming van een NEC-directeur is goedkeuring door het Congres niet vereist, zodat de president wie hij maar wil kan benoemen zonder dat zijn keuze door de Amerikaanse Senaat wordt “gegrild”. Dat verklaart waarom Obama de zeer getalenteerde, maar politiek impopulaire Summers kon benoemen, voorheen president van Harvard University.

Sperling is niet half zo bekend als Summers, maar heeft qua overheidsinvloed een opvallende staat van dienst. Al meer dan 10 jaar staat hij in de VS qua economische beleidsinvloed aan de top. Hij was vanaf 1993, het oprichtingsjaar van de NEC, tot 1996 plaatsvervangend directeur en directeur vanaf 1996 tot 2000. In januari 2011 werd hij door Obama opnieuw tot NEC-chef benoemd.

Zijn boek The Pro-Growth Progressive (2005) bevat veel ideeën om de economie beter te laten draaien. Geen enkel idee is grandioos, maar alle ideeën tezamen kunnen aanzienlijk helpen. Sommige ideeën vonden hun weg naar de American Jobs Act (AJA), het werkgelegenheidsplan van Obama dat daadwerkelijk zoden aan de dijk kon hebben gezet als dit wetsvoorstel in 2011 door het Congres zou zijn aanvaard.

De AJA bevatte een deel van wat Sperling in zijn boek beschrijft: van subsidies voor het aannemen van personeel, verzekeringen tegen inkomensdaling en praktijktraining tot en met steun voor scholing en voorschools onderwijs. De AJA zou voorts enkele begrotingsneutrale stimuleringsmaatregelen hebben geboden – het soort stimuleringsmaatregelen waarmee de economische bedrijvigheid aangewakkerd wordt zonder dat de overheidsschuld daarbij zou zijn toegenomen.

Ondanks alle bezorgdheid over de werkloosheid is het publiek echter niet erg geïnteresseerd in de details van concrete banencreatieplannen. Sperling is voor het publiek nu eenmaal niet erg zichtbaar. Zijn boek was geen bestseller: commercieel gezien kan het een flop genoemd worden.

Sperling verschilt bovendien fundamenteel van de typische academische econoom die zich op de voortschrijdende economische theorie en de statistiek pleegt te richten. Sperling concentreert zich daarentegen op de wetgeving – praktische dingen die gedaan kunnen worden om de economie een duwtje in de rug te geven. Hij luistert wel naar academische economen, maar heeft een andere focus.

Op een bepaald punt in zijn boek merkt Sperling gekscherend op dat de VS eigenlijk een derde politieke partij nodig heeft, de “Nederigheidspartij”, met leden die erkennen dat er voor de economische problemen van de VS gewoon geen miraculeuze oplossingen bestaan. Zij zouden zich in plaats daarvan op “praktische mogelijkheden” richten die beschikbaar zijn om toch een beetje verbetering te brengen.

Feitelijk hebben de Amerikanen echter helemaal geen nieuwe partij nodig: met de herverkiezing van Obama hebben de kiezers dat credo van pragmatische idealisme juist al onderschreven.

Vertaling: Willemien Rijsdijk

Robert J. Shiller is Professor of Economics at Yale University and the co-creator of the Case-Shiller Index of US house prices. His book Irrational Exuberance presciently warned of the dot-com bubble, and a second edition, released in 2005, predicted the coming collapse of the real-estate bubble. His most recent book, co-written with George Akerlof, is Animal Spirits: How Human Psychology Drives the Economy and Why It Matters for Global Capitalism.

Copyright: 2012, Project Syndicate

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud